Ontwerp monument: ir. Sybold van Ravesteyn
Beeldhouwer: Jo Uiterwaal
Materialen: beelden en gemeentewapen Benschop: zandsteen; urn en gedenkplaat: marmer
Benedeneind Zuidzijde 361, Benschop (gedenkplaat: onbeschilderd marmer, zwarte inscripties)
Onthuld op 7 november 1945 (gedenkplaat: grijs geschilderd marmer, witte inscripties)

“Het drama van Benschop” met de in vermoedelijk 1968 aangebrachte ommuring

__________

__________

koningin Juliana in gesprek met Jan van Schaik, 9 juni 1950
Het Utrechts Archief, cat.nr. 92211; foto: F.F. van der Werf (CC-BY-4.0)

“Het drama van Benschop”, grijs getinte gedenkplaat, witte inscripties
Collectie Het Nieuwe Instituut, RAVEph91.2; fotograaf en datum foto: niet bekend
Het monument “Het drama van Benschop” is opgericht in mei-november 1945 ter herinnering aan acht inwoners van Benschop die op 13 en 17 februari 1945 tijdens en vier dagen na een razzia in Benschop om het leven waren gekomen. Door verraad waren de Duitsers achter de namen en adressen van Benschopper verzetsmensen gekomen. Theodorus Adrianus (Theo) Klever, een zoon van de eigenaar van de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361 en een van de leiders van het Benschopper verzet, sneuvelde in een vuurgevecht tijdens de inval in deze boerderij op 13 februari 1945. Zeven van de tientallen mannen die de Duitsers die dag hadden gearresteerd, werden op 17 februari 1945 door hen teruggevoerd naar Benschop en gefusilleerd bij de hooiberg van de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361, waar tijdens het vuurgevecht op 13 februari 1945 ook twee Duitse soldaten waren gesneuveld. Zes van hen waren verzetsstrijder; één van hen was een passant.(1)
(1) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Bram de Graaf, Amsterdam, 2015)
HET INITIATIEF
“Het drama van Benschop” is het eerste monument in de provincie Utrecht aangaande gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog dat is opgericht door illegale strijders.(1) De initiatiefnemer was J.C. (Jan) van Schaik, een Benschopper veehandelaar, veeverloskundige en verzetsstrijder. In de laatste maanden van de oorlog waren inwoners van Benschop op zijn initiatief geld gaan inzamelen voor een monument.(2)
Op 14 mei 1945 werd bericht dat op 9 mei 1945 kransen waren gelegd op de graven van verzetsstrijders die in februari 1945 in Benschop om het leven waren gekomen en dat besloten was een “grafmonument” voor hen op te richten. De datum van dit besluit was niet vermeld. Ir. Sybold van Ravesteyn, woonachtig in Utrecht, had zich beschikbaar gesteld een ontwerp te maken.(3) Een bijzonder aanbod: Van Ravesteyn had nog nooit een gedenkteken ontworpen.
“Het drama van Benschop” is het enige gedenkteken dat Van Ravesteyn heeft ontworpen.(4) Hij heeft er geen kosten voor in rekening gebracht.
De beelden werden ontworpen door Jo Uiterwaal, eveneens woonachtig in Utrecht, die tussen 1933 en 1942 beelden had ontworpen voor enkele gebouwen die Van Ravesteyn had ontworpen en tussen 1946 en 1955 beelden zou ontwerpen voor zes spoorwegstations die Van Ravesteyn in die jaren had ontworpen.(5)
Middels het overmaken aan Jan van Schaik van het op 19 mei 1945 vastgestelde batig saldo van hun kas droeg het Benschopper verzet bij in de financiering van het monument.(6)
De oprichtingscommissie, zichzelf Comité noemend, bestond uit 12 leden. De samenstelling van het Comité: voorzitter: J.C. (Jan) van Schaik, secretaris: C.J.L. (Cor) Oudshoorn, penningmeester: T.L.R. Schinkel, leden: Th.J. ( Theo) Benschop (pastoor), C.L. (Kees) Schreuders (burgemeester), C. (Cor) Boon (gemeentesecretaris Benschop), Johannes (Hans) Breekveldt (hoofd christelijke lagere school Benschop), A.A. Pardoel, C.A. (Kees) Roeleveld (waarnemend burgemeester Benschop), J. Roodenburg Azn, C.M. Vergouw en P. Visser.(7) Geen van de leden van het Comité was familie van de omgekomenen. Cor Boon was een broer van Willem Marinus (Ries) Boon.(8) Ries, woonachtig in IJsselstein en werkzaam als controleur bij de PVC (Provinciale Voedsel Centrale), heeft vanaf oktober 1944 van tijd tot tijd informatie over de Benschopper illegaliteit doorgespeeld aan Henri Moot, burgemeester van IJsselstein en lid van de NSB, en was betrokken bij de aanloop naar de razzia in Benschop op 13 februari 1945. De kwalijke activiteiten van Ries Boon kwamen pas in februari 1946 aan het licht.(9) Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet bekend of Cor Boon ten tijde van de oprichting van “Het drama van Benschop” op de hoogte was van wat zijn broer zoal had gedaan.
In een van de toespraken bij de onthulling op 7 november 1945 van “Het drama van Benschop” werd dank betuigd aan “de uitvoerende commissie, voorgezeten door Jan van Schaik”, en “de commissie van advies”.(10) Hieruit kan worden afgeleid dat binnen het Comité twee subcommissies waren gevormd. Het is niet duidelijk wie in deze commissies zitting hadden en wat hun taken waren.
Het Comité is bekend geworden onder de naam: Commissie Monument Gevallenen”.(11)
(1) Jan van Schaik in één van zijn toespraken bij de onthulling op 7 november 1945 van “Het drama van Benschop”. In Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173 is het Comité in een artikel over de onthulling van “Het drama van Benschop” aangeduid met “oud-illegalen”.
(2) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 230).
(3) Trouw, 14 mei 1945.
(4) Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10282766. In 1940 had Van Ravesteyn in opdracht van de Nederlandsche Spoorwegen het interieur ontworpen van een dienstrijtuig ten behoeve van dr. Arthur Seyss-Inquart, Reichskommissar für die besetzte Niederländische Gebiete. In de loop van de Tweede Wereldoorlog dook Van Ravesteyn onder. In 1946 is hij schriftelijk berispt voor het lid blijven van de BNA (Bond van Nederlandse Architecten) die op zeker moment was ondergebracht bij de Nederlandsche Kultuurkamer, door Seyss-Inquart op 25 november 1941 in het leven geroepen om het nationaalsocialistisch gedachtegoed te propageren en journalisten en kunstenaars (ook architecten) te controleren. Van Ravesteyn had eraan gehecht lid te blijven omdat hij anders geen opdrachten zou krijgen. De berisping had geen verdere gevolgen (https://collectiedata.hetnieuweinstituut.nl; https://resources.huygens.knaw.nl).
(5) https://nl.wikipedia.org/wiki/Jo_Uiterwaal. Uit de geraadpleegde documenten blijkt niet of Uiterwaal kosten in rekening heeft gebracht.
(6) Voorlopige inventaris collectie L.M. Dorsman 1944–1982 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L080-23).
(7) De samenstelling van het Comité blijkt uit een opsomming van de namen van de leden van het Comité in de uitnodiging aan de inwoners van Benschop voor het bijwonen van de onthulling van “Het drama van Benschop”. In de opsomming was vermeld wie voorzitter, secretaris en penningmeester waren. Bij de naam van pastoor Benschop stond de aanduiding “Pastoor”, bij de naam van burgemeester Schreuders stond van de aanduiding “Burgemeester”. Bij de namen van de overige leden van het Comité stonden geen extra vermeldingen. De uitnodiging is bewaard in het album met knipsels en documenten over de gebeurtenissen en de herdenking ervan, aangelegd door A.H. de Vos-Klever, 1945-1955 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L165-29).
(8) Mededeling P. Klever.
(9) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 144-229).
(10) Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173.
(11) Brief gemeentebestuur van Benschop, 28 februari 1963.
“HET DRAMA VAN BENSCHOP” EN HET BESLUIT OORLOGS- OF VREDESGEDENKTEEKENS
Op 23 oktober 1945 trad het Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens in werking, waarbij ontwerpen van gedenktekens die een plaatselijke of regionale betekenis hadden eerst aan een Provinciale Commissie voor Oorlogs- en Gedenkteekens moesten worden voorgelegd en na goedkeuring aan de Centrale Commissie voor Oorlogs- en Gedenkteekens, die de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zou adviseren over goed- of afkeuring. De minister had de vrijheid dit advies naast zich neer te leggen.(1)
Het Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens was tot stand gekomen op aandringen in juni 1945 van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, die met lede ogen aanzag dat in de eerste weken na de bevrijding veel deskundige werkloze beeldend kunstenaars, mede werkloos geworden omdat zij zich niet hadden aangemeld als lid van de Nederlandsche Kultuurkamer, niet werden benaderd voor een ontwerp. De Nederlandse Kring van Beeldhouwers vreesde ook dat als er geen regelgeving aangaande dit soort monumenten zou worden gemaakt, er een wildgroei aan monumenten van matige tot dubieuze artistieke en esthetische kwaliteit zou ontstaan. Vanuit andere invalshoeken hadden de Groote Adviescommissie der Illegaliteit en het Nationaal Instituut ook gepleit voor regelgeving.(2)
Het initiatief voor “Het drama van Benschop” dateert uit mei 1945; het monument is de eerste helft van oktober 1945 gereedgekomen. Onder de geraadpleegde documenten zijn geen documenten waaruit blijkt of “Het drama van Benschop” de beoordelingsprocedure van het Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens heeft doorlopen. De reeks documenten (tekeningen enz.) in het Nationaal Archief bevat geen tekeningen van “Het drama van Benschop”.(3) Dit kan betekenen dat “Het drama van Benschop” de beoordelingsprocedure niet heeft doorlopen.
(1) Wikipedia: Besluit_Oorlogs-_of_Vredesgedenkteekens.
(2) Wikipedia: Besluit_Oorlogs-_of_Vredesgedenkteekens.
(3) https://www.nationaalarchief.nl
PLAATSING
Aanvankelijk wilde het Comité het monument in een perk bij de Sint-Victorkerk in Benschop plaatsen.(1) De Sint-Victorkerk staat aan het Dorp, een weg aan weerszijden van de Benschopper Wetering door de dorpskern van Benschop, aan de oostzijde overgaand in de Bovenweg (Noord- en Zuidzijde); aan de westzijde overgaand in de Benedenweg (Noord- en Zuidzijde).
Op 1 juni 1945 schreef de pastoor van de Sint-Victorkerk, lid van het Comité, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het kerkbestuur aan de burgemeester van Benschop, eveneens lid van het Comité, dat het kerkbestuur had besloten dat het terrein waarop men voornemens was het monument te plaatsen en de toegang ertoe eigendom zouden blijven van de Rooms-katholieke kerk in Benschop en niet zouden worden verkocht of in erfpacht gegeven. Als het Comité toch zou hechten aan plaatsing van het monument op het terrein nabij de kerk, moesten er voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat het terrein zou worden gebruikt als sluiproute naar de kerk.(2)
Bij hervormden stuitte het voornemen het monument bij de Sint-Victorkerk te plaatsen op weerstand.(3)

Op 14 juni 1945 schreef het gemeentebestuur van Benschop aan A.A. Kok, architect van het gemeentehuis van Benschop, dat men voornemens was het monument op de stoep voor of naast het bordes bij het gemeentehuis van Benschop te plaatsen. Het gemeentehuis, tegenwoordig Historisch Raadhuis Benschop, staat op de hoek Dorp/Dorpsplein, tegenover de Sint-Victorkerk. In de ogen van het gemeentebestuur was de plek voor of naast het bordes erg fraai. Kok werd voorgesteld om contact op te nemen met Van Ravesteyn, die inmiddels foto’s had aangeleverd van een ontwerp van het monument. Bijgaande foto toont een model van “Het drama van Benschop” voor een maquette van het bordes en de ingang van het gemeentehuis van Benschop.
Op 23 juni 1945 schreef het gemeentebestuur van Benschop aan Kok dat men had afgezien van plaatsing bij het gemeentehuis en het monument op het Dorpsplein wilde plaatsen. Uit de geraadpleegde documenten blijkt niet waarom men van gedachten was veranderd. Het gemeentebestuur hoopte dat het overleg met Van Ravesteyn, voorgesteld in de brief van 14 juni, nog niet had plaatsgevonden. In zijn antwoord van 2 juli 1945 beschreef Kok waarom hij geen voorstander was van plaatsing bij het bordes en gaf hij adviezen over plaatsing op het Dorpsplein.
Op 5 juli 1945 besloot het gemeentebestuur van Benschop dat het monument op het Dorpsplein zou worden geplaatst. Hiervoor zou de pomp die op het Dorpsplein stond, worden verwijderd.
“Het drama van Benschop” is uiteindelijk ten westen van de kern van Benschop geplaatst, bij de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361 waar tijdens de inval op 13 februari 1945 de schietpartij had plaatsgevonden waarbij Theo Klever was gesneuveld en waar op 17 februari 1945 de executies hadden plaatsgevonden. Uit de geraadpleegde documenten blijkt niet of er nog andere plekken waren beoogd en hoe men uiteindelijk was gekomen tot plaatsing aan Benedeneind Zuidzijde 361. Nabestaanden van Theo Klever zagen aanvankelijk op tegen plaatsing maar vonden het, zo schreef een van hen op 13 september 1945, uiteindelijk wel fijn.(4)
De grond waarop het monument werd geplaatst, hoorde bij de boerderij.(5) Op aandringen van Petrus (Piet) Klever, de vader van Theo Klever, werd het monument buiten het zicht van de boerderij geplaatst.(6)
(1) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 231).
(2) Map L092-579 van het archief van de gemeente Benschop bevat geen brieven van het Comité die zijn ondertekend door iemand in diens hoedanigheid van voorzitter, secretaris, penningmeester of lid. Er zijn geen brieven met als briefhoofd “Commissie Monument Gevallenen”. De brieven van de burgemeester waren getypt op briefpapier met als briefhoofd Gemeente Benschop. De burgemeester had ze ondertekend in zijn hoedanigheid van burgemeester. Op de handgeschreven brief van de pastoor van 1 juni 1945 stond zijn naam als briefhoofd. De pastoor had de brief ondertekend in zijn hoedanigheid van pastoor en voorzitter van het kerkbestuur.
(3) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 231). Niet duidelijk is of de weerstand leefde bij Nederlands-hervormde inwoners van Benschop of bij Nederlands-hervormde leden van het Comité.
(4) Jo Klever aan een vriend; 13 september 1945, bewaard in het album met knipsels en documenten over de gebeurtenissen en de herdenking ervan, aangelegd door A.H. de Vos-Klever, 1945-1955 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L165-29).
(5) Brief gemeentebestuur van Benschop, 28 februari 1963.
(6) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 231).
VORMGEVING
Uit een kort briefje van 2 augustus 1945 van de pastoor van de Sint-Victorkerk in Benschop aan de burgemeester van Benschop kan worden opgemaakt dat op 1 augustus 1945 een bijeenkomst had plaatsgevonden waarin een model van het monument was getoond.(1) In zijn briefje van 2 augustus 1945 schreef de pastoor dat hij de urn (of zandloper, dat had hij niet goed kunnen zien) niet passend vond bij een monument voor christelijke jongens. Bij een monument voor niet-gelovigen zou een dergelijk voorwerp naar zijn mening wel passend zijn. Zijn gedachten gingen uit naar de plaatsing van een kruis, de aanduiding R.I.P. (Requiescat In Pace = Rust in vrede) of de aanduiding “Rust Zacht”. Het gemeentebestuur van Benschop stelde Van Ravesteyn op de hoogte van het bezwaar van de pastoor. Op 15 augustus 1945 antwoordde Van Ravesteyn dat de urn zou worden vervangen door een kruis waarop de handen van de vrouwenfiguren zouden rusten. Hij gaf tevens aan het te betreuren dat het monument niet bij het gemeentehuis zou worden geplaatst; Uiterwaal en hij hadden er hun ontwerpen op afgestemd. Omdat hij de plek op het Dorpsplein niet kende, liet Van Ravesteyn het gemeentebestuur weten dat noch Uiterwaal, noch hij erop konden worden aangesproken als men na plaatsing op het Dorpsplein niet tevreden was met hoe het monument oogde. Op 17 augustus 1945 antwoordde de burgemeester dat in een van de eerste commissievergaderingen was besloten geen kruis op het monument te plaatsen; Van Ravesteyn werd gevraagd een alternatief te bedenken. De burgemeester gaf tevens aan de kanttekeningen van Van Ravesteyn bij de plaatsing op het Dorpsplein ter harte te nemen.
De einduitvoering van “Het drama van Benschop” toont een marmeren beeld van een urn. Hieruit kan worden afgeleid dat het oorspronkelijk ontwerp gehandhaafd bleef. In de geraadpleegde documenten is niet beschreven waarom uiteindelijk toch voor het beeld van een urn is gekozen.
(1) Onder de geraadpleegde documenten zijn er geen verslagen van de vergaderingen van het Comité. Er zijn geen documenten waaruit blijkt of het Comité aan Van Ravesteyn kenbaar had gemaakt hoe het monument eruit zou moeten zien en wat het zou moeten tonen, of dat Van Ravesteyn en Uiterwaal de vrije hand hadden in het ontwerpen.
In het archief van Van Ravesteyn, bewaard in Het Nieuwe Instituut, Museumpark 25, Rotterdam (Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10286421), bevindt zich een schets van “Het drama van Benschop”, een foto van een maquette tegen de achtergrond van een bordes, diverse foto’s van het monument (al of niet ommuurd), correspondentie tussen Van Ravesteyn en de gemeente Benschop over de ommuring in 1968 van het monument en een bouwtekening van de ommuring. De urn heeft van begin af aan deel uitgemaakt van het ontwerp van “Het drama van Benschop”.
MENINGSVERSCHILLEN OVER EEN NAAMSVERMELDING
In vuurgevechten tijdens de razzia op 13 februari 1945 sneuvelde niet alleen Theo Klever maar ook Herman Struik, een andere leider van het verzet in Benschop, die de schuilnaam Piet Maas voerde. In 1942 was hij lid geworden van de NSB; kort daarna werd hij lid van de Waffen-SS en vocht hij mee aan het Oostfront. Getrouwd in Nederland in de eerste maanden van 1944 dook hij onder; in september 1944 vond hij onderdak in de boerderij aan Benedeneind Noordzijde 406 in Benschop. Struik sloot zich aan bij de in 1943 opgerichte Benschopper verzetsgroep die onder leiding stond van Jan Aart van Ieperen, een gereformeerd Benschopper onderwijzer. Theo Klever was van Ieperens rechterhand. Struik instrueerde Benschopper verzetslieden in het omgaan met vuurwapens.(1)
Tijdens de oprichting van “Het drama van Benschop” rees de vraag of de naam van Struik op de gedenkplaat kon worden vermeld, gelet op zijn verleden als SS’er en Oostfrontstrijder. Gereformeerde verzetsstrijders stonden afwijzend tegenover het vermelden van zijn naam, ook vanwege hun afkeuring van de avonturiersmentaliteit van Struik en zijn gewapende activiteiten. Sommigen beschouwden de bloedige gebeurtenissen die in februari 1945 in Benschop hadden plaatsgevonden als een gevolg van de komst en de militante houding van Struik. Rooms-katholieke verzetsstrijders waaronder Jan van Schaik waren van mening dat Struik zich in Benschop als een goed vaderlander had gedragen. Onderzoek door de POD (Politieke Opsporingsdienst) leidde niet tot een besluit, waarop werd besloten de vraag over de naamsvermelding voor te leggen aan prins Bernhard. Deze was tegen het vermelden op oorlogsmonumenten van namen van voormalig SS’ers. De naam van Struik werd dan ook niet op de gedenkplaat vermeld, wat jaren nadien nog tot heftige emoties leidde bij hen die van mening waren dat Struik niets te verwijten viel.(2)
In haar brief van 13 september 1945 schreef Jo Klever dat zij de verwikkelingen rond Struik, die zij aanduidde met zijn schuilnaam Piet Maas, erg vervend vond. Struik was een goede vriend van de familie Klever.
Het stoffelijk overschot van Struik is begraven op de begraafplaats van de Sint-Victorkerk in Benschop. Op zijn grafsteen is ook de schuilnaam Piet Maas vermeld.
(1) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, pp. 114, 130-131 en 262).
(2) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 230-231).
DE ONTHULLING VAN “HET DRAMA VAN BENSCHOP” (1)
In oktober 1945 werd bekend dat het monument op 7 november 1945 zou worden onthuld. Op 18 oktober 1945 stuurde het gemeentebestuur van Benschop aan prins Bernhard, die tijdens de Tweede Wereldoorlog bevelhebber was van de Nederlandse strijdkrachten en de Binnenlandse Strijdkrachten, een uitnodiging met de vraag of hij het monument zou willen onthullen. Op 22 oktober stuurde het gemeentebestuur een uitnodiging aan jhr. mr. dr. L.H.N. Bosch Ridder van Rosenthal, Commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht, met de vraag of hij de onthulling zou willen verrichten voor het geval de prins de onthulling niet kon bijwonen. Op 1 november 1945 liet de secretaris van prins Bernhard weten dat de prins op 7 november 1945 deel moest nemen aan een regeringsbespreking; hij zou een vertegenwoordiger sturen: kapitein mr. C.M.C.W. van Lanschot.
Op 7 november 1945, een half jaar nadat het initiatief tot oprichting was genomen, werd “Het drama van Benschop” onder grote belangstelling onthuld. In de uitnodiging waren de inwoners van Benschop opgeroepen de vlaggen halfstok te hangen, zonder wimpel.
Voorafgaand aan de onthulling werd in het gebouw van de Gereformeerde Kerk in Benschop om 10.00 uur een interkerkelijke herdenkingsbijeenkomst gehouden. Hierin belichtten een gereformeerde, een hervormde en een en Rooms-katholieke geestelijke de spirituele achtergrond van het illegale werk en de offers die de omgekomenen hadden gebracht.
Om 11.30 uur, na een toespraak van Jan van Schaik, werd “Het drama van Benschop” onthuld door de Commissaris van de Koningin. De onthullingshandeling bestond uit het weghalen van de Nederlandse vlag die over de beelden was gehangen. Na de onthulling werden kransen en bloemstukken gelegd, als eerste door kapitein mr. Van Lanschot namens prins Bernhard. Daarna werden kransen gelegd door onderduikers en leden van voormalige verzetsorganisaties. In een aantal toespraken werd de offerbereidheid, heldenmoed en trouw geprezen die de omgekomenen aan de dag hadden gelegd. Hun dood moest de aanwezigen ervan doordringen dat zij nu hun daden moesten stellen voor de wederopbouw van Nederland. Er werden ook toespraken gehouden door een vertegenwoordiger van de illegale beweging Lek en Waal en een vertegenwoordiger van de illegaliteit in IJsselstein; vier van de omgekomen verzetsmannen waren lid geweest van hun organisaties. Verder werden er toespraken gehouden door mensen die een of meer van de omgekomenen hadden gekend als collega, leerling of vriend. In een aantal toespraken was er ook een troostend woord voor de nabestaanden van de gevallenen.
Na afloop van de onthullingsplechtigheid werden de genodigden in twee cafés onthaald op een koffietafel.
Onder de aanwezigen was ook ir. Van Ravesteyn, die het monument had ontworpen zonder kosten in rekening te brengen. As blijk van dank overhandigde Jan van Schaik hem een boekwerk.(2)
(1) Utrechtsch Katholiek Dagblad, 8 november 1945; Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173.
(2) Krantenartikel, onbekende herkomst, in het album met knipsels en documenten over de gebeurtenissen en de herdenking ervan, aangelegd door A.H. de Vos-Klever, 1945-1955 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L165-29).
HET MONUMENT
“Het drama van Benschop” toont twee vrouwenfiguren aan weerszijden van een marmeren gedenkplaat in de vorm van een schild. De linker vrouwenfiguur, een palmtak dragend, staat symbool voor faam. De rechter vrouwenfiguur, een zwaard dragend, staat symbool voor gerechtigheid.(1) Het marmeren beeld van een urn onder hun handen is symbool voor versterving.(2)
Op de gedenkplaat zijn de namen, geboortedata en geboorteplaatsen vermeld van de acht omgekomenen en aansluitend de vermelding dat zij op 13 of 17 februari in Benschop waren gevallen of gefusilleerd. In de opsomming was geen onderscheid gemaakt tussen gevallenen en gefusilleerden. De eerste naam die was vermeld, was die van Jan Aart van Ieperen, de leider van de Benschopper verzetsgroep. De tweede naam was die van Theo Klever, diens rechterhand. Na de naam van Theo Klever volgden de namen van de zes andere omgekomenen. Misschien heeft men door deze manier van vermelden eer willen bewijzen aan Van Ieperen en Klever.
Onder de vermelding dat de acht omgekomenen gevallen of gefusilleerd waren, staat een gedicht van Jan van Schaik:
GIJ MET U ALLEN. STOERE FIERE HELDEN.
VEREEND GEVALLEN. GIJ RUSTTET ZELDEN.
GIJ STONDT STEEDS KLAAR IN DEN NOOD:
BESEFTET HET GEVAAR, DOCH VREESDET GEEN DOOD.
GIJ OFFERDET UW LEVEN, EEN VAN ZIN.
VOOR GOD, VOOR VOLK, VOOR KONINGIN.
Onder het gedicht is een steek afgebeeld, doorkliefd met een zwaard en gekruist met twee Stenguns Mk II, machinepistolen die tijdens de Tweede Wereldoorlog veelvuldig werden gebruikt.
Voor de voet van de gedenkplaat staat een beeld van het gemeentewapen van Benschop, aan weerszijden gedragen door een leeuw.
(1) Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173. Volgens een ander verslag van de onthulling stelt de linker vrouwenfiguur vrede voor en de rechter vrouwenfiguur oorlog (krantenartikel, onbekende herkomst, in het album met knipsels en documenten over de gebeurtenissen en de herdenking ervan, aangelegd door A.H. de Vos-Klever, 1945-1955 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, L165-29).
(2) In de beschrijving op https://www.4en5mei.nl en op pagina 232 van Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015) is niets vermeld over de urn. Wel is vermeld dat de vrouwenfiguren een fakkel dragen. Deze vermelding, die ook op sommige websites staat, is onjuist. Uit de schets en de maquette van “Het drama van Benschop” blijkt dat een fakkel nooit deel heeft uitgemaakt van het ontwerp (Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10286421).
DE GEDENKPLAAT
Op een foto van “Het drama van Benschop” die op 7 november 1945 na de kransleggingen is gemaakt, is een donkere uitvoering in marmer van de gedenkplaat te zien met witte letters, cijfers en symbolen.(1) Deze uitvoering is ook te zien op de foto die op 9 juni 1950 is genomen bij de kranslegging door koningin Juliana tijdens een werkbezoek aan het zuidelijk deel van de provincie Utrecht.(2) Bij het plaatsen in 1968 van de stenen omheining was het monument voorzien van een witte uitvoering in marmer van de gedenkplaat, met zwarte letters, cijfers en symbolen.(3)
De zwarte letters, cijfers, symbolen en hun gravering in de witte uitvoering van de gedenkplaat zijn identiek aan de witte letters, cijfers, symbolen en gravering ervan in de grijze uitvoering. Oneffenheden in de witte uitvoering van de gedenkplaat zijn ook te zien in de grijze uitvoering. KIJKEN NAAR BEELDEN veronderstelt dat de gedenkplaat ten tijde van de onthulling was voorzien van een grijze deklaag en wit ingekleurde letters, cijfers en symbolen en dat op zeker moment de deklaag is verwijderd waardoor het oorspronkelijke, wit getinte marmer zichtbaar werd. De letters, cijfers en symbolen werden zwart ingekleurd.
Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt te achterhalen waarom de gedenkplaat ten tijde van de onthulling van een grijze deklaag was voorzien en wanneer, waarom en op wiens initiatief de deklaag is verwijderd.
(1) RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, foto L1606 (fotograaf: Jakob de Jong, Utrechtseweg 41, IJsselstein). Deze foto is gepubliceerd in onder andere Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173. Zie ook foto 92210, genomen op 9 juni 1950.
(2) Tijdens het werkbezoek van koningin Juliana aan het zuidelijk deel van de provincie Utrecht werd als eerste plaats Benschop bezocht. In Benschop bracht de koningin een bezoek aan de weduwe van Jan Aart van Ieperen en de nabestaanden van Theo Klever. Aansluitend op het bezoek aan de nabestaanden van Theo Klever legde zij een krans bij het monument, waarna een minuut stilte in acht werd genomen (Utrechtsch Nieuwsblad, 10 juni 1950; De Zaanlander, 10 juni 1950). Volgens De Volkskrant, 10 juni 1950, werd het monument geflankeerd door 5 KP’ers. Uit het bijschrift bij foto L0317, RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden blijkt dat dit Chris Vergouw, Arie de Jong, Jan van Schaik, T.L.R. Schinkel en Cor Oudshoorn waren, mogelijk (met uitzondering van Arie de Jong) in hun hoedanigheid van lid van het Comité. Dit gold in ieder geval voor Jan van Schaik. In het getypte bijschrift dat is geplakt op de achterkant van ANP-foto 014-1180 (Het Nationaal Archief) is vermeld dat de koningin na de kranslegging in gesprek ging “met de heer van Schaik, voorzitter van het comité voor het verzetsmonument”. Foto 014-1180 is foutief gedateerd op 9 juli 1950. In de geraadpleegde krantenartikelen en fotobijschriften is niet vermeld dat Vergouw, Van Schaik, Schinkel betrokken waren bij de oprichting van het monument.
(3) Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10286421.
1964: EIGENDOMSOVERDRACHT
Het Comité was eigenaar van het monument, verzorgde het en liet onderhoud uitvoeren. In overleg met de Commissie voor de Illegaliteit was besloten dat het monument niet zou worden overgedragen aan de gemeente Benschop of een andere instantie.(1) Dit besluit moet tussen uiterlijk 18 oktober en 7 november 1945 zijn genomen. In de op 18 oktober 1945 verzonden uitnodigingen voor het bijwonen van de onthulling was driemaal vermeld: onthulling en overdracht. Op het in het RCH Rijnstreek en Lopikerwaard gearchiveerde exemplaar van de voor de inwoners van Benschop bestemde uitnodigingen is het woord “overdracht” drie maal handmatig doorgehaald.(2)
Voor het onderhoud van het monument werden aan de inwoners van Benschop met enige regelmaat financiële bijdragen gevraagd. Aansluitend op de onthulling op 7 november 1945 bijvoorbeeld werd onder de aanwezigen een collecte hiertoe gehouden.(3)
In 1963 verzochten de nog in Benschop woonachtige leden het Comité, nu bekend als Commissie Monument Gevallenen, de gemeente Benschop om het monument “om niet” over te nemen. Op 28 februari 1963 schreef het gemeentebestuur bereid te zijn een voorstel hiertoe in te dienen bij de gemeenteraad van Benschop, op voorwaarde dat alle nog in leven zijnde leden van de Commissie zouden instemmen met de overdracht.(4) Vanwege het feit dat zij eigenaar waren van de grond waarop het monument stond, werden de bewoners van de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361 in kennis gesteld van de plannen van de gemeente Benschop om het monument “om niet” over te nemen.
Op 24 oktober 1963 stemde de gemeenteraad van Benschop in met de overdracht “om niet”. Op 29 januari 1964 werd de overdrachtsakte getekend. De gemeente Benschop zou het monument in eigendom, beheer en onderhoud hebben zolang als het monument zou bestaan en niet zou zijn vergaan door natuurlijke invloeden of vernietigd als gevolg van geweld, een calamiteit of een ongeval. Verder had de gemeente Benschop het recht om het monument te verplaatsen als dat noodzakelijk zou zijn vanwege bijvoorbeeld verkeersomstandigheden.
(1) Het Nieuws, 1e jaargang, nr. 173.
(2) (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L092-579).
(3) Krantenartikel, onbekende herkomst, in het album met knipsels en documenten over de gebeurtenissen en de herdenking ervan, aangelegd door A.H. de Vos-Klever, 1945-1955 (RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Woerden, L165-29).
(4) Op 28 februari 1963 telde de Commissie Monument Gevallenen zes leden; vijf ervan hadden deel uitgemaakt van het in 1945 opgerichte Comité. Tot de overledenen hoorden onder andere Jan van Schaik, burgemeester Schreuders en pastoor Benschop.
1968: STENEN OMHEINING
In oktober/november 1945 was “Het drama van Benschop” links voor de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361 geplaatst op een tweedelig territoire, zonder verdere omheining. Op de grindstrook voor het monument konden bloemen en kransen worden neergelegd.
Op foto’s, gemaakt tijdens het werkbezoek van koningin Juliana aan Benschop op 9 juni 1950, is langs de berm waarin het monument staat een sierhek te zien met voor het pad naar het monument twee poortjes.
Op 8 februari 1968 ging de gemeenteraad van Benschop akkoord met het plaatsen van lage muren om het monument. Van Ravesteyn had hiervoor in 1967 een plan ingediend. De kosten waren begroot op f 3.000,-.(1) Voor de trede die voor het territoire ligt, werd een grotere, lager gelegen trede gelegd. Links en rechts aan de voorzijde van deze trede werden kolommen geplaatst. Daarvandaan werd het monument in een rechthoekig patroon omgeven met muurdelen tot ter hoogte van de achterzijde.(2)
Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet duidelijk geworden van wie het idee afkomstig was het monument te ommuren en of de ommuring was bedoeld ter vervanging van het sierhek.
De klinkerstrook die voor het monument ligt, is van latere datum. De toegevoegde trede ligt tegenwoordig op gelijke hoogte met de in 1945 geplaatste trede. Bij de hoeken van de muren zijn enige tijd wit geverfde betonnen paaltjes geplaatst geweest, waarschijnlijk ter bescherming tegen het verkeer.
Achter het monument staat tegenwoordig een hoge haag.
(1) Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10286421.
(2) Het Nieuwe Instituut, RAVE.1 10286421.
HERDENKINGSPLECHTIGHEDEN
Jaarlijks op 4 mei (Nationale Dodenherdenking) wordt bij “Het drama van Benschop” een herdenkingsplechtigheid gehouden.
Tot aan het overlijden op 17 augustus 1961 van Piet Klever en het overlijden op 12 januari 1962 van burgemeester Schreuders vond jaarlijks rond 17 februari een herdenkingsplechtigheid plaats bij “Het drama van Benschop”, in herinnering aan de omgekomenen.(1)
(1) Het verraad van Benschop – verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945 (Amsterdam, 2015, p. 232).
2025: GEDENKPLAAT VOOR BURGERSLACHTOFFERS 1940-1945

Tijdens een fietstocht op 9 mei 2025 bleek dat rechts van “Het drama van Benschop” een gedenkplaat was geplaatst ter nagedachtenis aan “de burgerslachtoffers van Benschop in de periode 1940-1945”.
Een medewerker van de zorginstelling die tegenwoordig is gevestigd in de boerderij aan Benedeneind Zuidzijde 361 vertelde dat de gedenkplaat in de loop van 2025 geplaatst is op verzoek van de gemeente Lopik. Het is een permanente plaatsing. KIJKEN NAAR BEELDEN heeft niet kunnen achterhalen op welke datum en op wiens initiatief de gedenkplaat is geplaatst en of de plaatsing/onthulling gepaard is gegaan met een plechtigheid. In pers en media is, voor zover is na te gaan, geen ruchtbaarheid gegeven aan de plaatsing en onthulling van de gedenkplaat.

Op de gedenkplaat zijn de namen, geboortedata en overlijdensdata aangebracht van zeven mannen en vrouwen, allen geboren in Benschop: Johannes Straver, Maria Petronella Boere, Marinus de Heer, Arie van Es, Jan Cooiman, Floor de Ruijter en Johan Franke. Niet allen zijn in Benschop overleden.
Inventarisatie door KIJKEN NAAR BEELDEN van de persoonsgegevens van de omgekomenen wier namen zijn vermeld op de gedenkplaat, heeft uitgewezen dat Jan Cooiman en Johan Franke om het leven zijn gekomen tijdens hun dienst in het KNIL. Op de website van de Oorlogsgravenstichting is bij Jan Cooiman vermeld dat hij de rang had van Kan.Tkl; bij Johan Franke is vermeld dat hij de rang had van Mil. Sgt. Tkl.(1) De andere omgekomenen waren niet in militaire dienst.