Monument voor Zuilense gevallenen

Architect: Wim van Hoorn
Beeldhouwer: Jo Uiterwaal
Materialen: beelden en gemeentewapen Zuilen: Franse kalksteen (Euville); schilden: beton; schaal ten behoeve van de vlam: coronit chroomnikkelstaal
Henny Knipschildplantsoen, Utrecht (sinds 1969/1971)
Onthuld op 4 mei 1949, hoek Prins Bernhardkade/J.M. de Muinck Keizerkade, Zuilen


__________

Nationale Dodenherdenking 2025

de vrouwenfiguur met urn

de mansfiguur met bundel pijlen en leeuwenbeeld

de zuil met schaal; onder de zuil: het gemeentewapen van Zuilen

de Demkaklok

“Monument voor Zuilense gevallenen”: originele treden, witte letters en symbolen
Het Utrechts Archief, cat.nr. 126296; foto: L.H. Hofland, Nationale Dodenherdenking 1967,
CC-BY-4.0


HET INITIATIEF
Kort na de capitulatie van Duitsland op 5 mei 1945 werd in de gemeente Zuilen een commissie opgericht met als doel een monument te plaatsen voor inwoners van Zuilen die tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven waren gekomen.(1) De oprichtingscommissie stond onder voorzitterschap van Jos Veldman, waarnemend burgemeester van Zuilen; G.W. Post was secretaris/penningmeester.(2) Post was gemachtigd de oprichtingscommissie te vertegenwoordigen.(3)

(1) Nieuw Utrechtsch dagblad, 7 april 1949. De datum waarop de commissie was opgericht, is niet vermeld.
Zuilen was tot 1 januari 1954 een zelfstandige gemeente. Bij de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1954 werd een deel van Zuilen toegevoegd aan de gemeente Maarssen en een ander deel aan de gemeente Utrecht (Wikipedia: gemeente Zuilen).
(2) https://www.museumvanzuilen.nl, Utrechtsch Nieuwsblad, 28 juli 1949.
(3) Brief van G.W. Post aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, 22 januari 1948.

DE TOTSTANDKOMING VAN DE ONTWERPEN
“Monument voor Zuilense gevallenen” is ontworpen door Willem Coenraad (Wim) van Hoorn, gemeentearchitect van Zuilen. De beeldhouwwerken zijn ontworpen door Johannes Wilhelmus (Jo) Uiterwaal, beeldhouwer, woonachtig en werkzaam in Utrecht.
Van Hoorn en Uiterwaal hadden eerder met elkaar samengewerkt. In de tweede helft van de 1930-er jaren had Van Hoorn het aan de C. van Maasdijkstraat in Zuilen geplaatste “Vliegermonument” ontworpen; Uiterwaal had voor dit monument het beeldhouwwerk ontworpen.(1)
Van Hoorn zou volgens een zoon van hem drie versies van “Monument voor Zuilense gevallenen” hebben ontworpen. Het ontwerp dat ten grondslag heeft gelegen aan de einduitvoering van “Monument voor Zuilense gevallenen” zou de derde versie zijn geweest. Vanwege de hoogte van de kosten waren de eerste twee versies niet in aanmerking gekomen voor uitvoering in het groot.(2)
Het Utrechts Archief is in bezit van foto’s en tekeningen van twee ontwerpen van “Monument voor Zuilense gevallenen” en een paar brieven over deze ontwerpen.(3) Uit deze stukken blijkt niet of er drie ontwerpen zijn geweest. In dit artikel wordt noodgedwongen volstaan met het bespreken van de twee ontwerpen waarover documentatie voorhanden is. Aan deze ontwerpen zijn in dit artikel de namen “het meest vroege ontwerp” en “het uiteindelijke ontwerp” gegeven.

a. het meest vroege ontwerp

Op 10 mei 1946 werd bericht dat evenals in andere gemeenten ook in Zuilen een monument voor gevallenen zou worden opgericht. In de etalage van “De Concurrent” (Sweder van Zuylenweg 1, Zuilen) was een maquette ervan tentoongesteld.(4) Het bericht ging niet vergezeld van een foto van de maquette.
Onder de beschikbare stukken over “Monument voor Zuilense gevallenen” bevinden zich totaalfoto’s en een detailfoto van één maquette. Een van de totaalfoto’s van die maquette is hiernaast afgebeeld. KIJKEN NAAR BEELDEN veronderstelt dat het deze maquette was die in mei 1946 in de etalage van “De Concurrent” was geplaatst.
De maquette toont een zuil met op de top de uitbeelding van een vlam. Op een plateau aan de voet van de zuil staan beelden van een mansfiguur en een vrouwenfiguur die een tussen hen geplaatste palmtak vasthouden. De mansfiguur staat links van de zuil en houdt in zijn rechterhand de loop van een geweer vast. De geweerkolf rust op zijn rechtervoet. De vrouwenfiguur staat rechts van de zuil en draagt in haar linkerhand een urn. Aan de zuil is boven de palmtak het gemeentewapen van Zuilen aangebracht. Achter de zuil staat een muur met vier togen. Boven elke toog is een sluitsteen aangebracht. De toogmuren links van de mansfiguur en rechts van de vrouwenfiguur zijn onder de bogen dikker aangebracht, wat kan wijzen op een uitbeelding van platen met teksten.

De maquette van het monument is weinig gedetailleerd. De tekening hiernaast, daterend uit september 1947, toont veel meer details.
De mansfiguur draagt een broek en een overhemd. In zijn rechterhand houdt hij de loop van een geweer vast. De geweerkolf rust op zijn rechtervoet. De vrouwenfiguur is gekleed in een lange jurk en een blouse. In haar linkerhand draagt zij een urn. Tussen de mansfiguur en de vrouwenfiguur staat een palmtak, door hen beiden vastgehouden.
Op de tekening is te zien dat de zuil en de muur van het monument zijn opgetrokken uit bakstenen. De muur is licht gebogen. De bakstenen van de muur zijn gemetseld volgens een sierpatroon. Boven de ronde bogen van de togen zijn sluitstenen ingetekend. Op de muur staat links van de zuil het jaartal 1940 en rechts het jaartal 1945. Links en rechts achter de beeldengroep zijn langwerpige, met versiering omlijste rechthoekige platen ingetekend. Op de linker plaat, schuin achter de mansfiguur, zal de tekst van een opdracht van de inwoners van Zuilen worden aangebracht. Op de rechter plaat, schuin achter de vrouwenfiguur, zullen de namen van de gevallenen worden aangebracht. Aan de zuil zou boven de palmtak het gemeentewapen van Zuilen worden aangebracht. Op de top van de zuil zou een nikkelstalen lotuskelk worden geplaatst met daarin een eeuwige vlam.

b. het uiteindelijke ontwerp

Het uiteindelijke ontwerp van “Monument voor Zuilense gevallenen” dateert uit eind 1947/begin 1948.
De mansfiguur en de vrouwenfiguur met tussen hen in de palmtak, keren in het uiteindelijke ontwerp terug. De mansfiguur is links geplaatst. Hij is gekleed in een lange broek en een hemd met korte mouwen. In zijn rechterhand houdt hij de loop van een geweer vast. De geweerkolf rust op zijn rechtervoet. De vrouwenfiguur is rechts geplaatst. Zij is gekleed in een klassiek ogende jurk. In haar linkerhand houdt zij een urn vast.
In het uiteindelijke ontwerp is geen sprake meer van een muur met vier togen maar van een dichte muur, aan weerszijden geflankeerd door een lage, brede muur met links en rechts vier ronde kijkgaten.(5) De rechthoekige platen zijn vervangen door schilden. Het plateau waarop de beelden staan heeft vier lagen en is aan de randen voorzien van metselwerk.
De muur is zonder sierpatronen ingetekend, met uitzondering van de onderzijde van de schilden, waaronder gemetselde bogen zijn ingetekend.
In het schild links van de mansfiguur zijn vier dichtregels geschreven, afkomstig uit het gedicht “Op Nebo’s top” van Muus Jacobse.(6) In het schild rechts van de vrouwenfiguur is de opdracht van de inwoners van Zuilen geschreven.(7) De jaartallen 1940 en 1945 zijn niet meer op de bovenkant van de muur ingetekend maar boven de schilden.
De vier togen die deel uitmaakten van het meest vroege ontwerp keren terug in metselwerk onder het smalle deel van de zuil van het uiteindelijke ontwerp: een toog in iedere zijde van de zuil.

(1) Jo Uiterwaal: “Vliegermonument” (Utrecht).
(2) Henk van Hoorn, zoon van Wim van Hoorn, in de film “Monument voor Zuilense Gevallenen” (Pim Walenkamp, 2022). Van Hoorn heeft de data van de voltooiing van de drie ontwerpen niet genoemd.
(3) Het Utrechts Archief, toegangsnummer 1203 (Gedeputeerde Staten van Utrecht 1920-1954), inventarisnummer 6563 (Stukken betreffende de oprichting van een gedenkteken voor de gevallen inwoners van Zuilen, op een terrein aan de Prins Bernhardkade te Zuilen, 1947-1949).
(4) Utrechtsch Nieuwsblad, 10 mei 1946.
(5) In de kijkgaten konden kransen worden geplaatst (mededeling Henk van Hoorn in de film “Monument voor Zuilense Gevallenen”).
(6) Muus Jacobse: pseudoniem van Klaas Hanzen Heeroma (Hoorn, 13 september 1909 – Groningen, 21 november 1972).
(7) In dit opzicht stemt de tekening niet overeen met de beschrijving van het uiteindelijke ontwerp in het verzoekschrift van Post van 22 januari 1948 aan de Provinciale Commissie van advies voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens. Volgens die beschrijving zou op de linker plaat de tekst staan van de dichtregels van Jacobse en de opdracht van de inwoners van Zuilen en op de rechter plaat de namen van de gevallenen, hun geboortedatum en hun overlijdensdatum.

DE BEOORDELING VAN DE ONTWERPEN
Op 23 oktober 1945 was het Koninklijk Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens in werking getreden. Dit besluit hield in dat voor het plaatsen van een oorlogs- of vredesmonument toestemming was vereist van de minister van OKW (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen). Om toestemming te verkrijgen, moest het ontwerp van een oorlogs- of vredesmonument eerst worden voorgelegd aan een Provinciale Commissie van advies voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens. Deze Provinciale Commissie telde zes leden, waarvan er minstens drie architect of beeldend kunstenaar waren. De Provinciale Commissie beoordeelde het ontwerp vanuit esthetisch oogpunt en keek naar het materiaalgebruik, de beoogde locatie en de inrichting van de locatie. Wanneer zij dat nodig achtte, stelde zij een of meer wijzigingen voor. Deze wijzigingen moesten leiden tot een aangepast ontwerp. Pas als de Provinciale Commissie een positief advies had afgegeven, kon het ontwerp worden voorgelegd aan de Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens, gevestigd in Amsterdam. De Centrale Commissie telde vijf leden, onder wie een architect en een beeldhouwer. De Centrale Commissie stelde een advies op waarin zij de minister van OKW adviseerde, met redenen omkleed, het monument ja/nee in het groot uit te voeren. De minister van OKW had de vrijheid dit advies naast zich neer te leggen.(1)

a. de beoordeling van het meest vroege ontwerp

In de eerste maanden van 1946 stelde de oprichtingscommissie de Commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht op de hoogte van haar voornemen een oorlogsmonument op richten.
In vermoedelijk september 1947 diende de oprichtingscommissie het meest vroege ontwerp van het monument in bij de Provinciale Commissie van advies voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens. In de ongedateerde indieningsbrief, die vergezeld ging van een situatietekening en een foto van de maquette, was beschreven dat het monument bedoeld was als herdenking van de inwoners van Zuilen die in de periode 1940-1945 gevallen waren. De palmtak was symbool voor de vrede. De eeuwige vlam zou het licht der vrijheid tonen. Aan de muur zouden platen worden bevestigd met op één van de platen een opdracht van de inwoners van Zuilen en op de andere plaat de namen van de gevallenen. Voor het beeldhouwwerk en de sierelementen zou chamotteklei worden gebruikt; voor de cijfers van de jaartallen ging de voorkeur van de oprichtingscommissie uit naar brons. De bedoeling was het monument te plaatsen in een plantsoentje aan de hoek van de Prins Bernhardkade/J.M. de Muinck Keizerkade. Op een plattegrond was deze plek met rood gemarkeerd en voorzien van een foto van de maquette. Bij het monument zouden heesters en planten worden geplaatst.
Uit een op 3 november 1947 gedateerde brief van Post aan de Provinciale Commissie blijkt dat de Provinciale Commissie bedenkingen had bij het door Post als eenvoudig bestempelde ontwerp. KIJKEN NAAR BEELDEN heeft geen informatie kunnen vinden over welke bedenkingen de Provinciale Commissie had.
In zijn brief van 3 november 1947 schreef Post dat hij de bedenkingen van de Provinciale Commissie had doorgesproken en dat Van Hoorn, Uiterwaal en hij op korte termijn een gesprek wilden aangaan met de Provinciale Commissie.
Op de ongedateerde indieningsbrief staat de handgeschreven aantekening: “Er komt nieuwe aanvraag! 19/12/47“. Deze aantekening kan erop wijzen dat de Provinciale Commissie het meest vroege ontwerp had afgekeurd, dat het gesprek van Post, Van Hoorn, Uiterwaal en de Provinciale Commissie, als het al had plaatsgevonden, op niets was uitgelopen en dat de oprichtingscommissie voornemens was een ander ontwerp in te dienen.

b. de beoordeling van het uiteindelijke ontwerp

Op 22 januari 1948 diende Post bij de minister van OKW een verzoekschrift in met de vraag het uiteindelijke ontwerp van het monument te beoordelen. In het verzoekschrift beschreef hij dat met het monument de inwoners van Zuilen werden herdacht “die in het tijdvak van 5 mei 1940 tot 10 mei 1945 gevallen waren in de strijd en het verzet tegen de overweldiger, zowel in als buiten Nederland en in Indië”.(2) De eeuwige vlam was omschreven als “symbool van de nieuwe, lichtere toekomst waarvoor de gevallen zich gaven”. Op de linker plaat (links van de mansfiguur) zou de opdracht van de inwoners van Zuilen worden aangebracht en dichtregels, geschreven door Jacobse. Deze dichtregels maakten geen deel uit van het meest vroege ontwerp. Op de rechter plaat (rechts naast de vrouwenfiguur) zouden de namen van de gevallenen worden vermeld, hun geboortedatum en hun overlijdensdatum. Bij de meest vroege uitvoering was alleen sprake van de vermelding van hun namen.
Over de bekostiging van het monument had Post geschreven dat onder de inwoners van Zuilen een eenmalige collecte was gehouden.(3) Door aanvulling van de collecte-opbrengst met enkele giften was een bedrag van ongeveer f 4.500,- beschikbaar. Post was van mening dat dit bedrag dekkend was. Verder deelde hij mee dat de plek was vastgesteld waar het monument zou worden geplaatst. Op de situatietekening was deze plek met rood gemarkeerd. Het was dezelfde plek als de plek die de oprichtingscommissie in 1947 voor ogen had bij het meest vroege ontwerp. Bij de gemeente Zuilen zou na goedkeuring van het ingediende ontwerp een aanvraag worden ingediend voor een bouwvergunning.
Aan het slot van het verzoekschrift drong Post aan op snelle beoordeling; de oprichtingscommissie hoopte het monument in mei 1948 te kunnen onthullen.
Het verzoekschrift ging vergezeld van vier bijlagen: een tekening van het uiteindelijke ontwerp, een bijlage met de dichtregels uit het werk van Jacobse en de opdracht, een situatietekening waarop de plek was gemarkeerd waar het monument zou worden geplaatst en een overzicht van materialen. De muur, de zuil en het plateau zouden worden uitgevoerd in geelbruine metselbaksteen. Voor de paden zouden flagstones worden gebruikt. Voor de beeldengroep, het gemeentewapen van Zuilen, de gedenkplaten en de cijfers van de jaartallen zou chamotteklei worden gebruikt. De schaal zou worden geplaatst op een kroon, waarvoor smeedwerk zou worden gebruikt.
Op 23 februari 1948 gaf de Provinciale Commissie een positief advies over het ontwerp. Uit het feit dat de Provinciale Commissie op 16 juni 1948 een van aantekeningen voorzien exemplaar van de ontwerptekening van januari 1948 toezond aan de Centrale Commissie, kan worden afgeleid dat de Provinciale Commissie op 23 februari 1948 het ontwerp van januari 1948 ongewijzigd had goedgekeurd. Uit het positieve advies kan bovendien worden afgeleid dat de Provinciale Commissie geen bezwaren had tegen het ontwerp en de opstelling van de mensfiguren en daar bij de beoordeling in 1947 van het meest vroege ontwerp ook geen bezwaren tegen had. In het ontwerp van januari 1948 waren de mensfiguren op dezelfde wijze ontworpen en opgesteld als in het meest vroege ontwerp.

Op 4 maart 1948 berichtte het Nieuw Utrechtsch dagblad over de goedkeuring door de Provinciale Commissie. In het bericht werd de verwachting uitgesproken dat, nu de Provinciale Commissie het ontwerp had goedgekeurd, de regering het ontwerp ook zou goedkeuren waarna met de bouw van het monument kon worden begonnen.(4)
Het bericht in het Nieuw Utrechtsch dagblad ging vergezeld van de hiernaast afgebeelde, tamelijk gedetailleerde schets van het monument en een gedetailleerde beschrijving ervan. Het monument zou bestaan uit een gebogen gemetselde, 16,5 meter brede muur met ronde kijkgaten. In het midden van de muur zou een negen meter hoge zuil worden gemetseld. Aan de hoge muur links van de zuil zou het jaartal 1940 worden aangebracht met daaronder een schild met een citaat uit het werk van Muus Jacobse. Onder het citaat zou worden vermeld dat de inwoners van Zuilen met dit monument eer betonen aan hun gevallenen. Aan de hoge muur rechts van de zuil zou het jaartal 1945 worden aangebracht met daaronder een schild met de namen van de gevallenen. Voor de zuil zouden de beelden van de mansfiguur en de vrouwenfiguur worden geplaatst, in hun gestrengelde handen een palmtak dragend, symbool van de vrede. Op de schets is de mansfiguur links ingetekend; de vrouwenfiguur is rechts ingetekend. De mansfiguur, gekleed in een hemd en een broek, draagt in zijn rechterhand de loop van een geweer. De vrouwenfiguur, gekleed in een klassieke jurk, draagt in haar linkerhand een urn. De zuil, die bekroond zou worden met een metalen schaal waarin een vlam wordt ontstoken, zou verwijzen naar verhevener en betere tijden.
De voorzijde van het monument zou zijn gericht op de Amsterdamsestraatweg.
Volgens de kennisgeving op 29 juli 1948 van de goedkeuring door de minister van OKW had de Centrale Commissie het uiteindelijke ontwerp op 5 juni 1948 goedgekeurd. Deze datum is strijdig met de inhoud van een ontwerpbrief van de Provinciale Commissie aan de Centrale Commissie, gedateerd op 16 juni 1948.(5) Uit deze brief blijkt dat de Centrale Commissie op 14 april 1948 aan de Provinciale Commissie had laten weten met haar in gesprek te willen gaan over het uiteindelijke ontwerp. Dit gesprek vond plaats op 10 mei 1948. Naar aanleiding hiervan vond op 14 juni 1948 overleg plaats tussen de Provinciale Commissie en de oprichtingscommissie over een aantal bezwaren van de Centrale Commissie (in de ontwerpbrief zijn deze bezwaren niet opgesomd). Voor de oprichtingscommissie kwamen deze bezwaren als een volslagen verrassing. De oprichtingscommissie had vanwege uitblijven van bericht over de goedkeuring en in de verwachting dat het uiteindelijke ontwerp zou worden goedgekeurd, een begin laten maken met de bouw van het monument. Dit was in alle opzichten tegen de regels in.
Uit de ontwerpbrief van 16 juni 1948 blijkt niet of Wim van Hoorn en Jo Uiterwaal op de hoogte waren gesteld van de kritiek van de Centrale Commissie en of zij inbreng hadden in de discussie welke wijzigingen in het uiteindelijk ontwerp moesten worden aangebracht.
In haar ontwerpbrief van 16 juni 1948 verwoordde de Provinciale Commissie de excuses van de oprichtingscommissie voor het laten beginnen van de bouw van het monument. Om aan de bezwaren van de Centrale Commissie tegemoet te komen, stelde de Provinciale Commissie voor om de profielen van de dekplaten (schilden) te vereenvoudigen en de jaartallen, de kijkgaten en de togen onder het smalle deel van de zuil weg te laten. Eén van de leden van de Provinciale Commissie vond de togen, die hij aanduidde met “nisjes”, nogal kinderachtig. Ten aanzien van het beeldhouwwerk stelde de Provinciale Commissie voor om in plaats van chamotteklei natuursteen te gebruiken. Een opmerkelijk voorstel: natuursteen was in die tijd duurder dan chamotteklei; de kosten van het monument zouden hoger kunnen uitvallen.(6) Misschien had de Centrale Commissie twijfels bij de aanblik van beelden, vervaardigd uit chamotteklei.
De Provinciale Commissie stelde verder voor dat zij betrokken zou zijn bij de uitvoeringswerkzaamheden en sprak de wens uit dat de Centrale Commissie het ontwerp alsnog zou goedkeuren. Binnenskamers hoopte de Provinciale Commissie dat haar verzoek schriftelijk of telefonisch kon worden afgehandeld en dat een nieuwe bijeenkomst in Amsterdam niet nodig was.
De Provinciale Commissie heeft de definitieve brief van 16 juni 1948 aan de Centrale Commissie doen vergezellen van een reeds bestaande tekening van het uiteindelijk ontwerp, waarop met rode strepen doorhalingen waren geplaatst bij de kijkgaten, de jaartallen en de togen.(7) De jaartallen waren niet op een andere plek ingetekend. De omtrek van de schilden was voorzien van rode potloodstrepen waaruit bleek dat ze kleiner en rechthoekig zouden moeten worden, zonder gebogen onderkant. De bogen in het metselwerk aan de onderzijde van de schilden waren derhalve ook voorzien van rode strepen. Met grijs potlood was aangegeven dat de rand van de bedekking op de muren geen sierrand zou zijn maar een hoekige rand, zonder profiel.
In haar ontwerpbrief had de Provinciale Commissie geen wijzigingen voorgesteld ten aanzien van het ontwerp van de beelden en de plaatsing ervan. Op de tekening zijn bij de beelden geen aantekeningen of markeringen geplaatst.
Volgens de kennisgeving op 29 juli 1948 van de goedkeuring door de minister van OKW had de Provinciale Commissie op 23 februari 1948 en op 16 juni 1948 haar goedkeuring uitgesproken. Dit doet vermoeden dat de Provinciale Commissie op 16 juni 1948 het gewijzigde uiteindelijke ontwerp had goedgekeurd en aan de Centrale Commissie had voorgelegd. De verschillen tussen de einduitvoering van “Monument voor Zuilense gevallenen”, het uiteindelijke ontwerp van eind 1947/begin 1948 en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp van juni 1948 doen vermoeden dat de Centrale Commissie meer wijzigingen had voorgesteld dan de wijzigingen die de Provinciale Commissie in haar ontwerpbrief van 16 juni 1948 had voorgesteld en dat een aantal van die wijzigingen zijn uitgevoerd.
In een brief, gedateerd op juni 1948 (zonder datum), adviseerde de Centrale Commissie positief. KIJKEN NAAR BEELDEN veronderstelt dat deze brief is geschreven ná 16 juni 1948. In deze brief staan geen nadere details.
KIJKEN NAAR BEELDEN heeft geen krantenartikelen gevonden waarin werd bericht over de kritiek van de Centrale Commissie, de wijzigingen die in het uiteindelijke ontwerp zijn aangebracht en/of de goedkeuring door de minister van OKW.
Bij het bouwen van de einduitvoering van het monument zijn niet alle wijzigingen die de Provinciale Commissie had voorgesteld, doorgevoerd. Dit doet vermoeden dat er tussen 16 juni en eind juni 1948 overleg is geweest tussen de Provinciale Commissie en de Centrale Commissie. Dit vermoeden wordt versterkt door de afwijkingen in de einduitvoering van de mansfiguur en de plaatsing in de einduitvoering van de mansfiguur, de vrouwenfiguur en de schilden.
Voor het beeldhouwwerk is conform het voorstel van de Provinciale Commissie geen chamotteklei gebruikt maar Franse kalksteen (Euville).(8) De vier togen waarop de zuil zou worden geplaatst, werden conform het voorstel van de Provinciale Commissie niet aangebracht. De kijkgaten, waarover de Provinciale Commissie had voorgesteld ze achterwege te laten, bleven gehandhaafd. De jaartallen 1940 en 1945 werden niet weggelaten zoals de Provinciale Commissie had voorgesteld maar verplaatst naar de voorzijde van de rand van het plateau waarop de beelden staan. De schilden, vervaardigd uit beton, werden uitgevoerd conform het uiteindelijke ontwerp van 22 januari 1948 (inclusief de gemetselde bogen) en niet conform het gewijzigde ontwerp van 16 juni 1948.

(1) Het Koninklijk Besluit Oorlogs- of Vredesgedenkteekens is tot stand gekomen op aandringen in juni 1945 van de NKvB (Nederlandse Kring van Beeldhouwers), die met lede ogen aanzag dat in de eerste weken na de bevrijding veel deskundige werkloze beeldend kunstenaars, mede werkloos geworden omdat zij zich niet hadden aangemeld als lid van de Nederlandsche Kultuurkamer, niet werden benaderd voor een ontwerp. De NKvB vreesde ook dat zonder regelgeving een wildgroei aan monumenten van matige tot dubieuze artistieke en esthetische kwaliteit zou ontstaan. Vanuit andere invalshoeken hadden de Groote Adviescommissie der Illegaliteit en het Nationaal Instituut ook gepleit voor regelgeving. In het begin van de 1970-er jaren is het Besluit opgeheven (Wikipedia: Besluit_Oorlogs-_of_Vredesgedenkteekens).
(2) Waarschijnlijk heeft Post bedoeld: tussen 10 mei 1940 en 5 mei 1945.
(3) Deze collecte was gehouden op zaterdag 11 mei 1946 (Utrechtsch Nieuwsblad, 10 mei 1946).
(4) Nieuw Utrechtsch dagblad, 4 maart 1948. De opmerking dat het wachten was op goedkeuring van de regering, is niet juist. Het was de Centrale Commissie die positief advies moest geven aan de minister van OKW, die vervolgens kon besluiten over ja/nee goedkeuren van uitvoering in het groot. In het Utrechtsch Nieuwsblad, 4 maart 1948 stond een bericht van soortgelijke strekking, vergezeld van de afbeelding die ook in het Nieuw Utrechtsch dagblad was geplaatst. Het Utrechtsch Nieuwsblad schreef echter niets over de goedkeuring door de Provinciale Commissie en het feit dat het wachten was op verdere goedkeuring..
(5) Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt de tekst van de uiteindelijke brief te achterhalen.
(6) https://www.spoorbeeld.nl/inspiratie/beelden-van-jo-uiterwaal-voor-station-nijmegen.
(7) De tekening wordt bewaard in het Nationaal Archief, 2.14.69 – 2469).
(8) Nieuw Utrechtsch dagblad, 7 april 1949.

DE EINDUITVOERING VAN “MONUMENT VOOR ZUILENSE GEVALLENEN”, HET UITEINDELIJKE ONTWERP EN HET GEWIJZIGDE UITEINDELIJKE ONTWERP
De einduitvoering van “Monument voor Zuilense gevallenen” verschilt in veel opzichten van het uiteindelijke ontwerp zoals beschreven in de berichten van 4 maart 1948 in het Nieuw Utrechtsch dagblad en het Utrechtsch Nieuwsblad en van het gewijzigde uiteindelijke ontwerp van 16 juni 1948.

Naast de verschillen, voortvloeiend uit het voorstel van de Provinciale Commissie in haar ontwerpbrief van 16 juni 1948 (de jaartallen, de togen en het gebruik van Franse kalksteen in plaats van chamotteklei) zijn er verschillen die betrekking op de mansfiguur en de opstelling van mansfiguur en de vrouwenfiguur. KIJKEN NAAR BEELDEN kan zich niet goed voorstellen dat deze verschillen zijn ontstaan tijdens de bouw van het monument en houdt rekening met de mogelijkheid dat een of meerdere ervan zijn ontstaan als gevolg van kritiek van de Centrale Commissie op 10 mei 1948 en wijzigingen die zij nadien voorstond.

a. de mansfiguur en de vrouwenfiguur
De verschillen tussen de einduitvoering van de beelden van de mansfiguur en de vrouwenfiguur, het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp zijn als volgt:

  • In de einduitvoering zijn de mansfiguur en de vrouwenfiguur van plaats gewisseld. De mansfiguur staat rechts van de zuil, de vrouwenfiguur links.
  • In de einduitvoering zijn de mansfiguur en de vrouwenfiguur meer van elkaar afgewend dan in het uiteindelijke ontwerp. Zij raken elkaar niet aan. Hun handen zijn niet verstrengeld. Er is geen palmtak uitgebeeld.
  • In de einduitvoering is de mansfiguur gekleed in een lange lendendoek. In het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp was de mansfiguur krijgshaftig ingetekend, gekleed in een lange broek en een hemd met opgerolde mouwen.
  • De einduitvoering van de mansfiguur draagt in zijn rechterhand een bundel pijlen. Er is geen geweer uitgebeeld.
  • In de einduitvoering is achter de mansfiguur een leeuwenbeeld gehakt met onder diens rechter voorpoot een bal.

b. de palmtak
In het meest vroege ontwerp, het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp stond de mansfiguur links en de vrouwenfiguur rechts. Tussen hen in was een palmtak getekend. De mansfiguur hield de palmtak vast met zijn linkerhand, de vrouwenfiguur hield de palmtak vast met haar rechterhand. In de einduitvoering is de palmtak niet uitgebeeld en zijn de mansfiguur en de vrouwenfiguur van plaats verwisseld. Deze opstelling wekt de indruk alsof de mansfiguur en de vrouwenfiguur elkaars spiegelbeeld zijn; een indruk die ingegeven wordt door de niets dragende armen en handen, die zich nu aan de buitenzijden van de beeldengroep bevinden.
Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt te achterhalen wanneer en waarom de palmtak is weggelaten en op wiens initiatief.

c. de bundel pijlen

In de einduitvoering is het geweer dat de mansfiguur in het meest vroege ontwerp, het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp vasthoudt, weggelaten. In de einduitvoering draagt de mansfiguur in zijn rechterhand een bundel pijlen.(1) De bundel pijlen maakte geen deel uit van de meest vroege uitvoering, het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp.
In de heraldiek kan een bundel pijlen gezamenlijke kracht uitbeelden of gereedheid om de strijd op te pakken.
Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt te achterhalen wanneer en waarom het geweer is weggelaten en de bundel pijlen zijn toegevoegd en op wiens initiatief.
Op minstens twee websites is in de beschrijving van “Monument voor Zuilense gevallenen” de bundel pijlen beschreven als een palmtak.(2)

d. het leeuwenbeeld

Achter de mansfiguur is, uit dezelfde steen als waaruit de mansfiguur is gehakt, het beeld van een liggende leeuw gehakt met de kop omhoog en de rechter voorpoot op een bal. Ook dit leeuwenbeeld maakte geen deel uit van de meest vroege uitvoering, het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp. In de berichten in het Nieuw Utrechtsch dagblad en het Utrechtsch Nieuwsblad van 4 maart 1948 over het uiteindelijke ontwerp is geen melding gemaakt van een leeuwenbeeld. In de editie van 30 maart 1949 gaat een artikel waarin de voortgang van de bouw van het monument wordt beschreven, vergezeld van een foto van het inmiddels voltooide beeld van de vrouwenfiguur en een foto van het beeld van de mansfiguur, waarop te zien is dat een beeldhouwer, vermoedelijk Jop Goldenbeld, die Jo Uiterwaal assisteerde, bezig was met het hakken van het leeuwenbeeld, zonder dat er aan het leeuwenbeeld aandacht is besteed.(3)
In de heraldiek kan een liggende leeuw met bal kracht uitbeelden, waarbij de bal symbool staat voor de wereld.
Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt te achterhalen wanneer en waarom het leeuwenbeeld is toegevoegd en op wiens initiatief.

e. de schilden
In de einduitvoering zijn ook de schilden van plaats gewisseld. Het schild met de namen van de gevallenen hangt in de einduitvoering links van de vrouwenfiguur. In het meest vroege ontwerp en het uiteindelijke ontwerp was dit schild rechts van de (rechts staande) vrouwenfiguur ingetekend. Het schild met de opdracht en de dichtregels van Jacobse hangt rechts naast de mansfiguur. In het meest vroege ontwerp en het uiteindelijke ontwerp was dit schild links van de (links staande) mansfiguur ingetekend.

In het meest vroege ontwerp, het uiteindelijke ontwerp en de einduitvoering van de vrouwenfiguur is te zien dat zij in haar linkerhand een urn draagt. Op de wand van de urn zijn mensfiguurtjes te zien en het gemeentewapen van Zuilen. De urn kan hiermee een symbool zijn voor de gevallen inwoners van Zuilen. Zo bezien is het logisch dat het schild met de namen van de gevallenen bij de vrouwenfiguur is geplaatst en in de einduitvoering met de vrouwenfiguur mee is verplaatst. Tussen het schild met de opdracht en de dichtregels van Jacobse en de mansfiguur kan een soortgelijk verband bestaan.
In zijn brief van 22 januari 1948 aan de Provinciale Commissie had Post geschreven dat de namen, geboortedata en overlijdensdata van de gevallenen zouden worden vermeld. In de einduitvoering is volstaan met het vermelden van hun namen.
In het bericht in het Nieuw Utrechts dagblad van 4 maart 1948 was vermeld dat de dichtregels uit het werk van Jacobse boven de opdracht van de inwoners van Zuilen zouden worden aangebracht.(4) In de einduitvoering zijn de dichtregels onder de opdracht aangebracht.

f. de bouw van het monument
In de einduitvoering verschilt de bouw van het monument in vier opzichten van het uiteindelijke ontwerp en het gewijzigde uiteindelijke ontwerp. De muren met kijkgaten zijn niet gebogen maar recht. De togen aan de onderzijde van het smalle deel van de zuil zijn niet aangebracht. Het plateau waarop de beelden staan heeft drie lagen in plaats van vier. Het materiaal waaruit het plateau is gemaakt verschilt van het materiaal dat is ingetekend in het uiteindelijke ontwerp.

g. de artistieke essentie van de veranderingen
In februari 1948 had de Provinciale Commissie een goedkeurend advies uitgebracht over het uiteindelijke ontwerp. In april en mei 1948 maakte de Centrale Commissie aan de Provinciale Commissie bezwaren kenbaar tegen het uiteindelijke ontwerp. Naar aanleiding hiervan ging de Provinciale Commissie in juni 1948 in overleg met de oprichtingscommissie en stelde zij de Centrale Commissie wijzigingen voor, voornamelijk op architectonisch gebied. Over de uitvoering van het beeldhouwwerk stelde de Provinciale Commissie voor geen chamotteklei te gebruiken maar Franse kalksteun (euville).
De meeste verschillen tussen de einduitvoering van “Monument voor Zuilense gevallenen” en het in juni 1948 gewijzigde uiteindelijke ontwerp schuilen in de mansfiguur en de plaatsing van de mansfiguur en de vrouwenfiguur. KIJKEN NAAR BEELDEN verondersteld dat deze verschillen zijn ontstaan op grond van adviezen/aanwijzingen van de Centrale Commissie.
Er zijn geen documenten waaruit blijkt welke bezwaren de Centrale Commissie tegen het uiteindelijke ontwerp had. Een vergelijking met de einduitvoering doet vermoeden dat de bezwaren van artistieke aard waren. De mansfiguur droeg in het uiteindelijk ontwerp eigentijdse kleding en voerde een geweer als symbool van verzet. De vrouwenfiguur droeg in het uiteindelijk ontwerp klassiek ogende kleding en droeg een urn als blijk van rouw. Mogelijk heeft de Centrale Commissie aanbevolen beide figuren klassiek ogende kleding aan te meten en het geweer te vervangen door klassiek ogende symbolen van kracht (leeuwenbeeld, pijlenbundel). Het is niet duidelijk waarom de mansfiguur en de vrouwenfiguur van plaats zijn gewisseld. Misschien heeft de Centrale Commissie gewild de compositie evenwichtiger te laten zijn. De plaatswisseling betekende dat de palmtak, die beide figuren in de eerdere ontwerpen samen vasthielden, geen functie meer had en dus kwam te vervallen. Uit het feit dat de schilden mee van plaats wisselden, blijkt dat er van begin af aan een duidelijk verband was tussen het schild met de namen van de gevallenen en de vrouwenfiguur met urn en tussen het schild met de opdracht en de dichtregels en de mannenfiguur.

(1) Utrechtsch Nieuwsblad, 30 maart 1949.
(2) https://www.4en5mei.nl en https://vanderkrogt.net.
(3) Utrechtsch Nieuwsblad, 30 maart 1949.
(4) Nieuw Utrechtsch dagblad, 4 maart 1948.

DE ORDENING VAN DE NAMEN VAN DE GEVALLENEN

“Monument voor Zuilense gevallenen” is opgericht voor 16 inwoners van Zuilen die tijdens de Tweede Wereldoorlog tijdens gevechten of in gevangenschap om het leven waren gekomen. Op het schild zijn hun namen geordend op geleide van hun overlijdensdatum.(1)
Kort na de onthulling is op een strook de naam toegevoegd van S. Innikel, op 31 mei 1945 overleden in een concentratiekamp in Wöbbelin.(2)
In de loop van de 2020-er jaren is met bronzen letters boven de naam van J.W. van de Sandt de naam van D. van den Brink toegevoegd, op 22 maart 1943 omgekomen tijdens krijgsgevangenschap in Myanmar v/h Birma en aldaar begraven.(3)

(1) In Zuilen eert zijn gevallenen (A.H. Pasman, Zuilen 1948) zijn de namen van de gevallenen opgesomd op geleide van hun overlijdensdatum. Deze opsomming komt overeen met de volgorde waarin de namen zijn vermeld op het schild. J.W. van de Sandt, die als eerste was vermeld, is op 14 mei 1940 overleden; F.A.J. Odinot, die als laatste was vermeld, is op 26 februari 1945 overleden.
(2) https://www.museumvanzuilen.nl, https://oorlogsgravenstichting.nl.
(3) https://www.museumvanzuilen.nl
; https://oorlogsgravenstichting.nl.

DE OPDRACHT EN HET GEDICHT

Bovenaan op het schild rechts van de beelden is de opdracht geplaatst van de inwoners van Zuilen. De tekst van de opdracht stemt woordelijk overeen met de tekst ervan in bijlage B van het verzoekschrift van Post aan de Provinciale Commissie:

ZUILEN’S BEVOLKING
HEEFT DIT MONUMENT
GESTICHT, OM DE NAGE-
DACHTENIS TE EREN VAN
DE GEVALLENEN IN DE
OORLOG EN IN HET VER-
ZET TEGEN DE OVER-
WELDIGER

.

De letter Z van “Zuilen’s” in de eerste regel is weergegeven als initiaal. Links en rechts van “weldiger” zijn sierbalken geplaatst.
KIJKEN NAAR BEELDEN heeft niet kunnen achterhalen wie de tekst van de opdracht heeft geschreven.

Onder de opdracht van de inwoners van Zuilen zijn de dichtregels geplaatst uit het werk van Jacobse, met onder de dichtregels zijn naam:

GOD DOE ONS DAN DIT
WETEN: WAT VOORBIJ-
GING AAN NOOD EN LEED
IS NIET VERGEEFS GEWEEST
OMDAT UW MARTELAARS

HIER OVERWONNEN EN MET
HUN BLOED DE BO-
DEM IS GEWIJD
MUUS JACOBSE

De dichtregels zijn ontleend aan “Op Nebo’s top”, een gedicht, bestaande uit 24 vierregelige strofen, gericht aan een vriend die sinds lange tijd in een concentratiekamp gevangen wordt gehouden en daar is gemarteld, met als doel hem te bemoedigen.
“Op Nebo’s top” maakt deel uit van de tweede afdeling van de dichtbundel Vuur en wind – gedichten 1941-1945, een herdenking van gevallen vrienden, vermoord door de Duitse terreur.(1) De regels “God, doe mij dan dit weten: wat voorbijging aan nood en leed is niet vergeefs geweest” zijn de laatste twee regels van de 21e strofe; de regels “Omdat Uw martelaars hier overwonnen en met hun bloed de bodem is gewijd” zijn de laatste twee regels van de 23e strofe.
KIJKEN NAAR BEELDEN heeft geen documentatie kunnen vinden waaruit blijkt waarom ervoor is gekozen om op het monument dichtregels uit “Op Nebo’s top” te vermelden. Misschien is de keuze mede ingegeven door het feit dat het gedicht bekendheid genoot in verzetskringen en/of omdat koningin Wilhelmina “Op Nebo’s top” had voorgedragen in een van de laatste uitzendingen in 1945 van Radio Oranje.

(1) Muus Jacobse: Vuur en wind – gedichten 1941-1945 (Den Haag, 1946). In de oorlogsjaren is onder de titel “Niet vergeefsch” een fragment uit “Op Nebo’s top” opgenomen in het Geuzenliedboek. In Vrij Nederland is “Op Nebo’s top” in zijn geheel gepubliceerd onder de titel “Gebed” (https://www.dbnl.org).

UITEENLOPENDE TUSSENTIJDSE BERICHTGEVING OVER DE BEELDEN
De bouw van het monument werd uitgevoerd door C.J. van der Voorn, een aannemer, gevestigd in Utrecht, wiens bedrijf in Zuilen veel woningen had gebouwd. Op 30 maart 1949 berichtte het Utrechtsch Nieuwsblad dat het metselwerk zo goed als gereed was. Volgens dit bericht was het beeld van de vrouwenfiguur nagenoeg voltooid; Jo Uiterwaal was in zijn atelier aan de Kromme Nieuwegracht 42 in Utrecht nog bezig met de afwerking van het beeld van de mansfiguur en werd daarbij geassisteerd door Jop Goldenbeld. De vrouwenfiguur was volgens het bericht de uitbeelding van dankbaarheid, piëteit en waardering; de mansfiguur was de uitbeelding van de noodzaak van weerbaarheid en paraatheid. Naast de beelden zouden bronzen platen worden aangebracht met op één ervan de namen van de gevallen en op de andere plaat een opdracht. De verwachting was dat het monument op 4 of 5 mei 1949 zou worden onthuld.(1)
In het bericht is niet gerept over het in elkaar gestrengeld zijn van handen en/of het dragen van een palmtak zoals bericht op 4 maart 1948; de begeleidende foto’s van de beelden toonden losstaande beelden die de handen niet naar elkaar uitstrekten. Links op de foto van de mansfiguur is Jop Goldenbeld te zien, werkend aan het beeld van een liggende leeuw met een bal onder zijn rechter voorpoot. Uit deze foto kan worden opgemaakt dat het beeld van de liggende leeuw als laatste werd gehakt uit de steen waaruit het beeld van de mansfiguur was gehakt.
Op 7 april 1949 werd over de mensbeelden bericht dat de vrouwenfiguur een urn in de hand houdt als symbool van de vergankelijkheid van het leven; de mansfiguur draagt drie pijlen als symbool van de strijdbare kracht. In dit bericht werd niet gerept over het in elkaar gestrengeld zijn van handen en/of het dragen van een palmtak.(2) De beschrijving van de vrouwenfiguur is correct; de beschrijving van de mansfiguur niet. In die beschrijving is niet vermeld dat rechts van de mansfiguur het beeld van een liggende leeuw te zien is met een bal onder de rechter voorpoot.
De coronit chroomnikkelstalen schaal op de zuil was vervaardigd door Demka. De gasleiding ten behoeve van de eeuwige vlam was een geschenk van Werkspoor. In de editie van 7 april 1949 van het Nieuw Utrechtsch dagblad ging een artikel over het in aanbouw zijnde monument vergezeld van een foto van de plaatsing van de schaal op de zuil.(3)

(1) Utrechtsch Nieuwsblad, 30 maart 1949.
(2) Nieuw Utrechtsch dagblad, 7 april 1949.
(3) Nieuw Utrechtsch dagblad, 7 april 1949.

4 MEI 1949: DE ONTHULLING
“Monument voor Zuilense gevallenen” werd geplaatst in een daartoe aangelegd gazon.(1) Achter het monument werden thuja’s geplant. Aan de voorzijde van het monument zouden vakken met rozen worden aangelegd.(2) Links en rechts achter de muur werd een vlaggenmast geplaatst.
Op 21 april 1949 werd bericht dat de onthulling van het monument op 4 mei 1949 zou plaatsvinden en werd het programma van de onthulling beschreven. De onthullingsplechtigheid zou worden omlijst met treurmuziek. Om 17.00 uur zou een herdenkingstoespraak worden gehouden, waarna het monument zou worden overgedragen aan de gemeente Zuilen. Om 18.00 uur zouden aan de gemeentegebouwen de vlaggen halfstok worden gehangen. Om 19.30 uur zou – zonder vlaggen – een stille tocht beginnen, die om 20.00 uur bij het monument zou eindigen, alwaar twee minuten stilte in acht zouden worden genomen.(3)
De onthullingsplechtigheid vond plaats onder grote belangstelling. Onder de aanwezigen waren onder anderen het voltallige gemeentebestuur, raadsleden, vertegenwoordigers van verzetsorganisaties, nabestaanden van de gevallenen, de architect van het monument en de bouwer. De muzikale omlijsting werd verzorgd door het Zuilens Fanfarecorps en het Zuilens Mannenkwartet. Jos Veldman, de voorzitter van de oprichtingscommissie, hield een toespraak waarin hij stilstond bij wat zich in Zuilen tijdens de Tweede Wereldoorlog had afgespeeld. Het monument zou de herinnering aan de gevallenen levend houden. Veldman dankte de industriebedrijven en particulieren voor hun financiële ondersteuning. Hij dankte verder G.W. Post voor diens voortdurende inspanningen en sprak zijn waardering uit voor Wim van Hoorn en Jo Uiterwaal, die het monument met de weinige middelen waarover zij beschikten tot stand hadden gebracht. Na deze toespraak werd het monument onthuld door de vader van Henny Knipschild, de leider van de verzetsgroep in Zuilen die op 27 september 1944 aansluitend op zijn arrestatie was gefusilleerd. De onthullingshandeling bestond uit het weghalen van de witte doek die over de beelden was gehangen. Vervolgens werden kransen gelegd door onder andere Obbe Norbruis, burgemeester van Zuilen, die het monument namens het gemeentebestuur van Zuilen in ontvangst nam en beloofde zorg te dragen voor goed onderhoud. Schoolkinderen legden bloemen bij het monument. De onthullingsplechtigheid werd afgesloten met het zingen van het Wilhelmus, waarbij de vlaggen bij het monument halfstok werden gehesen. ’s Avonds vond de stille tocht plaats. Om 20.00 uur werd bij het monument twee minuten stilte in acht genomen.(4)

(1) Op 2 februari 1949 was bericht dat een begin was gemaakt met de aanleg van een gazon om het monument (Utrechtsch Nieuwsblad, 2 februari 1949).
(2) Nieuw Utrechtsch dagblad, 7 april 1949.
(3) Utrechtsch Nieuwsblad, 21 april 1949
(4) Utrechtsch Nieuwsblad, 6 mei 1949

5 MEI 1949: VIERING BEVRIJDINGSDAG
In de vroege ochtend van 5 mei 1949 reden elf leden van de Zuilense Motorclub, twee Zuilense wethouders, Jos Veldman en de commissaris van politie naar Nijmegen om het bevrijdingsvuur op te halen. Op de terugweg werden zij voorafgegaan door een afvaardiging van het gemeentebestuur van Nijmegen. Na aankomst in Utrecht werd de fakkel die was meegevoerd, overgenomen door estafettelopers; één van hen legde het laatste deel van de tocht alleen af en overhandigde de fakkel aan burgemeester Norbruis, die met de fakkel het bevrijdingsvuur ontstak. Het ontsteken van het bevrijdingsvuur gebeurde in aanwezigheid van onder andere M.A. Reinalda, Commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht, en een aantal Utrechtse burgemeesters, onder wie jhr. mr. C.J.A. de Ranitz, burgemeester van Utrecht, en diens echtgenote. De Commissaris van de Koningin plaatste in het monument een metalen koker met daarin een oorkonde. In zijn toespraak besteedde hij aandacht aan het wereldwijde leed dat de Tweede Wereldoorlog teweeg had gebracht en riep hij de jongeren op de plaats in te nemen die de gevallenen achter zich hadden gelaten en de wereldvrede verder uit te dragen. Nadat schoolkinderen een aantal liederen hadden gezongen, werd de plechtigheid rond het ontsteken van het bevrijdingsvuur afgesloten. ’s Middags werd een optocht gehouden met versierde voertuigen en werd een concert gegeven.(1)
Volgens een verslag van de Dodenherdenking op 4 mei 1952 bij “Monument voor Zuilense gevallenen” is bij de afsluiting van de bevrijdingsfestiviteiten van 5 mei 1949 de vlam overgebracht naar een kleine lantaarn, die zorgvuldig brandend zou worden gehouden. Met het vuur van deze vlam zou jaarlijks de vlam op “Monument voor Zuilense gevallenen” worden ontstoken.(2)

(1) Nieuw Utrechtsch dagblad, 6 mei 1949. In dit artikel is niet beschreven wat er op de oorkonde was vermeld. Op de oorkonde die in het Vliegermonument is ingemetseld, is het jaar vermeld waarin dit monument was onthuld, de bijzonderheid dat dit jaar het 40e regeringsjaar was van koningin Wilhelmina en de namen van de initiatiefnemer, de architect (Wim van Hoorn) en de beeldhouwer (Jo Uiterwaal).
(2) Utrechtsch Nieuwsblad, 5 mei 1952.

28 JULI 1949: ONTBINDING OPRICHTINGSCOMMISSIE
Op 28 juli 1949 kwam de oprichtingscommissie voor de laatste keer bijeen. Hierbij was ook Wim van Hoorn aanwezig.
Uit het financieel verslag bleek dat alle inwoners van Zuilen bijgedragen hadden aan de oprichting van het monument.
Een klein bedrag van nagekomen gelden werd beschikbaar gesteld voor het aanbrengen van een verfraaiing, waarbij onder andere werd gedacht aan schijnwerpers.
Als blijk van dank voor hun inspanningen kregen G.W. Post en Wim van Hoorn een boek overhandigd, waarna Jos Veldman de oprichtingscommissie voor ontbonden verklaarde.(1)

(1) Utrechtsch Nieuwsblad, 28 juli 1948, Nieuw Utrechtsch dagblad, 29 juli 1948.

1956: PLANNEN VOOR VERPLAATSING
Op 6 maart 1956 schreef de Dienst Openbare Werken van de gemeente Utrecht in een brief aan het gemeentebestuur van Utrecht dat er plannen waren voor een noodzakelijke verbreding van de J.M. de Muinck Keizerlaan. Deze verbreding zou gevolgen hebben voor “Monument voor Zuilense gevallenen”. Op 19 juni 1957 stuurde de Dienst Openbare Werken hierover nogmaals een brief aan het gemeentebestuur, vergezeld van een bouwtekening. Volgens de plannen zou het monument naar een verderop gelegen plek moeten worden verplaatst, waarbij het monument een lage borstwering zou krijgen, een nieuw pad naar het monument zou worden aangelegd en nieuwe beplanting. De Schoonheidscommissie van de gemeente Utrecht had ingestemd met de voorgenomen wijzigingen aan het monument en de omgeving ervan.
Op 18 juli 1957 deelde het gemeentebestuur aan de Dienst Openbare Werken mee dat de verbreding van de J.M. de Muinck Keizerlaan niet kon doorgaan vanwege de noodzaak om investeringen te beperken. Aan “Monument voor Zuilense gevallenen” zou niets veranderen.

1969: VERPLAATSING
In 1963 werd bericht dat de wijk Zuilen en de wijk Overvecht, waarvan de bouw in 1961 was begonnen, door een brug over de Vecht met elkaar verbonden zouden worden. Hiertoe moest de J.M. de Muinck Keizerlaan worden verbreed, waardoor voor “Monument voor Zuilense gevallenen” een andere plek moest worden gezocht. De Dienst Openbare Werken van de gemeente Utrecht had het plan opgevat het monument te verplaatsen naar het Prins Bernhardplein. Het plan werd aanschouwelijk gemaakt met een maquette van het plein. De Zuilense gemeenschapsraad stemde in meerderheid in met het plan, op voorwaarde dat het monument ongeschonden zou blijven.(1)
In 1969 werd een begin gemaakt met de bouw van de J.M. de Muinck Keizerbrug. “Monument voor Zuilense gevallenen” werd verplaatst naar een plantsoen aan de hoek van de Prins Bernhardlaan en de J.M. de Muinck Keizerlaan. Het monument werd steen voor steen afgebroken en in het plantsoen weer opgebouwd. Achter het monument werd beplanting aangebracht. Het drielaags platform voor het monument werd vervangen door een drielaags platform, vervaardigd uit een andere steensoort. In de bovenste rand van dit nieuwe platform is vergulde cijfers de aanduiding 1940 – 1945 aangebracht.
Het monument werd weer aangesloten op een gasleiding, zodat jaarlijks op 4 en 5 mei de vlam zou kunnen branden. De vlaggenmasten die links en rechts achter het monument stonden, werden geplaatst langs de Prins Bernhardlaan, aan weerszijden van de met hagen omzoomde groenstrook die richting het monument voert.
Ten tijde van de onthulling waren de letters en symbolen op de schilden wit.(2) Uit foto’s kan worden opgemaakt dat op zeker moment na de verplaatsing de letters en symbolen verguld.
Volgens de zoon van Wim van Hoorn heeft “Monument voor Zuilense gevallenen” op drie plekken gestaan.(3) In veruit alle geraadpleegde bronnen is slechts sprake van de twee in dit artikel besproken plekken.

(1) https://www.museumvanzuilen.nl/3609-2/. De gemeenteraad van Utrecht had zich in juli 1962 reeds akkoord verklaard (Utrechtsch Nieuwsblad, 4 juli 1962).
(2) Op foto’s van het monument, genomen vóór de verplaatsing, ogen de letters en balken ongekleurd.
(3) Mededeling Henk van Hoorn in de film “Monument voor Zuilense Gevallenen”

1994: GEDENKSTEEN OMGEKOMEN WERKNEMERS WERKSPOOR

In 1994 werd voor het monument een met gemetselde klinkers omrande gedenksteen geplaatst, ter herinnering aan werknemers van Werkspoor die tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven waren gekomen.
Bovenaan de steen zijn over de volle breedte de woorden VRIJHEID GERECHTIGHEID en VREDE aangebracht.
Op de linkerhelft van de gedenksteen is een herinneringsopdracht aangebracht. De tekst ervan luidt als volgt:

IN HERINNERING AAN HET NAMELOZE LEED VAN DE VIJF BANGE JAREN 1940-1945 DOOR ALLEN DIE AAN WERKSPOOR NV VERBONDEN ZIJN GEWIJD AAN DE NAGEDACHTENIS VAN HUN MEDEWERKERS EN VRIENDEN GEVALLEN IN DEN STRIJD OF BIJ HET VERZET GETROFFEN DOOR OORLOGSGEWELD BEZWEKEN IN GEVANGENSCHAP

Op de rechterhelft van de gedenksteen zijn de namen vermeld van de omgekomen werknemers.

1999: DE DEMKAKLOK (1)

In 1999 werd rechts voor “Monument voor Zuilense gevallenen” een gietijzeren luidklok geplaatst, Demkaklok genaamd, vernoemd naar de van oorsprong Zuilense metaalfabriek Demka die deze klok in 1946 had gegoten als vervanging van de luidklok van de Zuilense St.-Ludgeruskerk die de bezetter tijdens de oorlogsjaren had geroofd.
Bij de sloop in 1977 van de St.-Ludgeruskerk werd de luidklok ondergebracht in de tuin van het Ludgercentrum aan de Sint-Bonifaciusstraat in Zuilen. Na de verkoop van het Ludgercentrum werd de luidklok overgebracht naar Fort De Bilt, waar hij werd gerestaureerd.
Dankzij de inspanningen van het Comité Plaatsing Demkaklok, bestaande uit de Stichting Gemeenschap Zuilen en de Zuilense Oranjevereniging, werd de luidklok in 1999 bij “Monument voor Zuilense gevallenen” geplaatst. De plaatsingskosten bedroegen f 50.000,- waarvan f 40.000,- voor rekening werd genomen door de gemeente Utrecht en wijkbureau Noordwest. De resterende f 10.000,- werd via inzamelingen bijeengebracht.
Tussen de luidklok en het monument is een smal stenen pad aangelegd, met onder de luidklok op sierstenen de cijfers 1, 9, 9, en 9, tezamen het jaartal 1999 vormend.
Rondom de wand van de luidklok is tussen twee sierlijnen een Latijnse tekst aangebracht:

TEUTONICUM FURTUM QUOD LUCTUM DETULEIT AERIS DEMKA RESTITUT PACIFICO CHALYBE – ANNO DOMINI 1946

In de grijze stenen die onder de klokkenstoel in een kring zijn gelegd, is de Nederlandse vertaling aangebracht:

DE DUITSE ROOF VAN HET BRONS DIE ROUW HEEFT GEBRACHT IS DOOR DE DEMKA HERSTELD MET VREDESTICHTEND STAAL IN HET JAAR ONZES HEREN 1946

Op een foto, gedateerd op 2011, zijn de sierlijnen ingekleurd.(2) Vandaag de dag is dat niet meer zo.
Jaarlijks op 4 mei (Nationale Dodenherdenking) wordt de luidklok gebeierd door leden van het Utrechts Klokkenluiders Gilde.(3)

(1) Klokkenluiders.nl: bericht uit het Utrechts Nieuwsblad, 8 april 1999.
(2) Het Utrechts Archief, cat.nr. 905528.
(3) Klokkenluiders.nl: De Demka-klok.

2004: HET PLANTSOEN KRIJGT EEN STRAATNAAM

Het plantsoen waarin “Monument voor Zuilense gevallenen” in 1971 was geplaatst, was een naamloos plantsoen. Onder aanvoering van Wim van Scharenburg, directeur van Museum van Zuilen, beijverden bewoners van Zuilen zich ervoor dat het plantsoen vernoemd zou worden naar Henny Knipschild.(1) In Zuilen eert zijn gevallenen (A.H. Pasman, Zuilen, 1948) is over hem geschreven dat hij van begin af aan de ziel was een klein groepje inwoners van Zuilen die hulp bood aan onderduikers. In 1943 sloot het groepje zich aan bij de LO, een landelijke organisatie die onderduikers hielp. Op 27 september 1944 werd hij samen met drie anderen gearresteerd, gemarteld en gefusilleerd.(2)
Eind april 2004 werd het verzoek van de bewoners van Zuilen ingewilligd. Op 4 mei 2004 onthulden Wim van Scharenburg en Annie Brouwer-Korf, burgemeester van Utrecht, een straatnaambordje met de vermelding “Henny Knipschildplantsoen”.(3)

(1) Museum van Zuilen: Henny Knipschild, Open Nieuwsbank, bericht van 3 mei 2004.
(2) Museum van Zuilen: Henny Knipschild.
(3) Open Nieuwsbank, bericht van 3 mei 2004.

2025: ONDERHOUD
In 2025 zijn een aantal onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd. De letters en symbolen op de schilden, ook de bronzen letters, zijn met verf verguld. Het voegwerk om de gedenksteen voor omgekomen werknemers van Werkspoor is hersteld en de steen is gereinigd, waardoor de opdracht en de namen van de omgekomen werknemers van Werkspoor weer leesbaar zijn.

VARIA

a. februari 1948: de maquette van station Gouda
In november 1944 raakte de eerste verdieping van het hoofdgebouw van station Gouda door bombardementen van de RAF onbruikbaar. In 1946 werd een begin gemaakt met de herbouw van het station, onder gebruikmaking van het restant van de begane grond van het hoofdgebouw. De herbouw was ontworpen door ir. Sybold van Ravesteyn, die ook voor andere stations herbouw zou ontwerpen. Jo Uiterwaal ontwierp voor de herbouw van station Gouda negen beelden, waarvan er vier op het dak van het hoofdgebouw werden geplaatst, vier op de bijgebouwen en een op de poort die toegang gaf tot het laad- en losterrein.

In februari 1948 zijn foto’s gemaakt van een maquette van het hoofdgebouw van station Gouda, de bijgebouwen en de poort van het laad- en losterrein. Op deze maquette waren kleine wasmodellen te zien van de beelden die Jo Uiterwaal had ontworpen.

Midden voor de maquette van het hoofdgebouw stond een model van een monument. Dit model was niet het model van een monument dat Jo Uiterwaal voor het Stationsplein in Gouda had ontworpen maar het model van de beeldengroep en zuil dat deel uitmaakte van het meest vroege ontwerp van “Monument voor Zuilense gevallenen”, welk ontwerp in januari 1948 is vervangen door het uiteindelijke ontwerp.
In februari 1948 was er alleen een plan om op het Stationsplein een monument te plaatsen; er was nog niets ontworpen. Dit zou pas in oktober 1948 gebeuren.
KIJKEN NAAR BEELDEN veronderstelt dat het model van de beeldengroep en de zuil van het meest vroege ontwerp van “Monument voor Zuilense gevallenen” in februari 1948 bij de maquette van station Gouda was geplaatst om een indruk te geven van het geplaatst zijn van een monument.(1)

b. juni 1948: Zuilen eert zijn gevallenen (A.H. Pasman, Zuilen, 1948)

Ter gelegenheid van de onthulling van “Monument voor Zuilense gevallenen” heeft A.H. Pasman, uitgever van het huis-aan-huisblad “Zuilens Nieuwsblad”, het boekje Zuilen eert zijn gevallenen geschreven. Zuilen eert zijn gevallenen is gedrukt en uitgegeven door drukkerij Labor in Zuilen in naar men veronderstelt 1948.
Zuilen eert zijn gevallenen is in twee uitvoeringen gedrukt: een gekartonneerde, geniete uitvoering en een niet-gekartonneerde, geniete uitvoering.(2) KIJKEN NAAR BEELDEN heeft niet kunnen achterhalen hoe groot de oplage van deze uitvoeringen is geweest en of het tot één druk beperkt is gebleven.
In Zuilen eert zijn gevallenen staan korte levensbeschrijvingen van de zestien verzetsmensen wier namen zouden worden vermeld op het monument. Iedere levensbeschrijving ging vergezeld van een portretfoto. De levensbeschrijvingen werden voorafgegaan door een paragraaf waarin het monument werd beschreven en een afbeelding van een schets van het monument. Deze afbeelding komt overeen met de afbeeldingen in de edities van 4 maart 1948 van het Nieuw Utrechtsch dagblad en het Utrechtsch Nieuwsblad.
De beschrijving van het monument komt overeen met wat is afgebeeld op de schets van het uiteindelijke ontwerp dat de Provinciale Commissie op 23 februari 1948 had goedgekeurd. De beschrijving van de mensfiguren komt overeen met de beschrijving in de artikelen in de edities van 4 maart 1948 van het Nieuw Utrechtsch dagblad en het Utrechtsch Nieuwsblad van het uiteindelijke ontwerp: twee levensgrote figuren die in de ineengestrengelde handen een palmtak dragen als symbool van vrede. Ook de beschrijving van de ordening van de teksten op de schilden komt overeen met de beschrijving in de artikelen in de edities van 4 maart 1948 van het Nieuw Utrechtsch dagblad en het Utrechtsch Nieuwsblad: op een van de schilden is een opdracht aangebracht en daarboven dichtregels uit het werk van Jacobse, op het andere schild zijn de namen vermeld van de omgekomenen.
De wijzigingen in de einduitvoering hadden moeten leiden tot een gewijzigde heruitgave van Zuilen eert zijn gevallenen waarin het monument beschreven zou zijn overeenkomstig de einduitvoering en waarin de schets van het uiteindelijke ontwerp van het monument vervangen zou zijn door een foto van de einduitvoering. Dat dit niet is gebeurd, is jammer.

c. 6 mei 1949: verslag in “Zuilen Vooruit” van de onthulling en de festiviteiten
In het verslag in de editie van 6 mei 1949 van Zuilen Vooruit over de onthulling op 4 mei 1949 en de festiviteiten op 5 mei 1949 was over “Monument voor Zuilense gevallenen” het volgende geschreven:

Aan de voet van de zuil zijn twee levensgrote figuren opgesteld, die in de ineengestrengelde handen een palmtak houden en zo de vrede symboliseren.
Tegen de bakstenen wand bevinden zich twee stenen. Op de ene plaat staat te lezen:
Zuilen’s bevolking heeft dit monument gesticht om de nagedachtenis te eren van de gevallenen in de oorlog en in het verzet tegen de overweldiger.
En daarboven de woorden van de dichter Muus Jacobse: God, doe ons dan dit weten: wat voorbij ging aan nood en leed is niet vergeefs geweest, omdat Uw martelaars hier overwonnen en met hun bloed de bodem is gewijd.
Op de andere plaat zijn de namen van de gevallenen aangebracht.
(3)

Deze beschrijving klopt niet met de einduitvoering, waarin de mensfiguren de handen niet ineengestrengeld hebben en geen palmtak dragen, waarin de mansfiguur een bundel pijlen draagt, achter de mansfiguur het beeld van een liggende leeuw is gehakt met de rechter voorpoot op een bal en waarin de dichtregels van Jacobse onder de opdracht staan. Het heeft er veel van weg dat deze beschrijving is ontleend aan Zuilen eert zijn gevallenen, waarin niet de einduitvoering is beschreven maar het uiteindelijk ontwerp uit begin 1948, dat later in veel opzichten zou worden gewijzigd.

d. de eeuwige vlam

Bij zowel het meest vroege ontwerp van “Monument voor Zuilense gevallenen” als het uiteindelijke ontwerp was sprake van een eeuwige vlam.
Uit het verslag van de Dodenherdenking in 1952 bij “Monument voor Zuilense gevallenen” blijkt dat de vlam van meet af aan jaarlijks brandt op 4 en 5 mei.(4)
Tegenwoordig wordt de vlam op 4 mei (Nationale Dodenherdenking) om 18.00 uur in stilte ontstoken door een van de vrijwilligers van de Stichting Samen Zuilen, in wier handen de organisatie van de dodenherdenking ligt. De vlam blijft branden tot aan zonsondergang op 5 mei (Bevrijdingsdag) en wordt dan in stilte gedoofd.(5)
Op minstens twee websites is in de beschrijving van “Monument voor Zuilense gevallenen” de vlam beschreven als een gebeeldhouwde vlam.(6)

(1) Zie: Jo Uiterwaal: “Beelden stationsgebouw Gouda” (Gouda)
(2) Het Utrechts Archief: PK: K2011-30 (gekartonneerde uitgave) en 76-1413a (ongekartonneerde uitgave)
(3) Museum van Zuilen.
(4) Utrechtsch Nieuwsblad, 5 mei 1952.
(5) Mededeling Hans Nieuwendijk, Stichting Samen Zuilen.
(6) https://www.4en5mei.nl en https://vanderkrogt.net.

  JO UITERWAAL