Beeldhouwer: Auke Hettema
Materiaal: brons (Binder-Schmidt Bronsgieterij, Haarlem)
Coolsingel, Rotterdam, voor de linker nis van het stadhuis
Onthuld op 27 oktober 1970

__________

.
In 1960 vatte het Historisch Genootschap Roterodamum het plan op om een standbeeld op te richten voor Hugo de Groot. Het idee was dit standbeeld in 1963 te onthullen. In dat jaar was het 350 jaar geleden dat Hugo de Groot werd aangesteld als pensionaris van Rotterdam en in die hoedanigheid Johan van Oldenbarnevelt opvolgde. Het idee werd bekend gemaakt tijdens de jaarvergadering van Roterodamum op 1 maart 1961. Het bestuur dacht aan een plaats middenin de stad. Het standbeeld zou moeten ontworpen door een “representatieve kunstenaar”. Roterodamum was van mening dat in Rotterdam een standbeeld van Hugo de Groot niet mocht ontbreken, gelet op het feit dat er reeds standbeelden waren van andere belangrijke inwoners van Rotterdam: Johan van Oldenbarnevelt (Charles van Wijk/Arend Odé), Hendrik Tollens (Johan Thedore Stracké), Jacobus van ’t Hoff (Charles van Wijk) en Gijsbert Karel van Hogendorp (Joseph Geefs). Er werd een comité opgericht waarvan mr. Jannetje (Nancy) Zeelenberg, wethouder Kunstzaken, voorzitter was.
Op 1 maart 1963 werd tijdens de jaarvergadering van Roterodamum meegedeeld dat het comité Auke Hettema opdracht had gegeven een schetsontwerp te maken voor een standbeeld van Hugo de Groot. De totale kosten waren begroot op f 45.000,-. Het Prins Bernhard Fonds, de Stichting Comité Zomerpostzegels, het Anjerfonds en het dr. Hendrik Muller Vaderlandsch Fonds hadden reeds f 26.000,- bijeengebracht. Het resterende bedrag van f 19.000,- zou door de gemeente Rotterdam voor rekening worden genomen. De hoop van Roteredamum was dat het standbeeld zo dicht mogelijk bij het stadhuis zou worden geplaatst.
Van 24 december 1963 tot 5 januari 1964 was in het Historisch Museum Rotterdam aan de Korte Hoogstraat een bronzen gieting tentoongesteld van het gipsmodel dat Auke Hettema had ontworpen. De hoogte van het model was 1/6 van de ware grootte.
Op 3 januari 1964 werd bekend dat C.N. van Dis, lid van de gemeenteraadfractie van de SGP, zich tegen aanvaarding van het standbeeld van Hugo de Groot had gekeerd; uitspraken van Hugo de Groot op het gebied van religie konden in zijn ogen niet door de beugel. Het standpunt van Van Dis vond geen weerklank.
Tijdens de jaarvergadering op 27 februari 1967 van Roterodamum werd meegedeeld dat het standbeeld van Hugo de Groot binnen afzienbare tijd, wellicht nog in 1967, voor de noordelijke vleugel van het stadhuis zou worden geplaatst.
Op 25 mei 1967 stemde de gemeenteraad van Rotterdam in met het financieren van de vervaardiging van een sokkel voor het standbeeld van Hugo de Groot. C.N. van Dis was het enige raadslid dat tegen stemde; hij motiveerde zijn tegenstem niet. Naar aanleiding hiervan stond in de editie van Het Vrije Volk van 26 mei 1967 dat het gerucht dat Van Dis tegen het voorstel was omdat Hugo de Groot op zondag uit Loevestein was ontsnapt (hij ontsnapte uit Loevestein op maandag 22 maart 1621, TvB), pertinent onjuist was.
Tijdens de jaarvergadering van Roterodamum in 1968 werd meegedeeld dat de vervaardiging van het standbeeld van Hugo de Groot vertraging had opgelopen omdat de echtgenote van Auke Hettema tijdens een verblijf in Rome ziek was geworden en door haar ziekte niet naar Nederland kon worden overgebracht.
Tijdens de jaarvergadering van Roterodamum op 28 februari 1969 deelde het bestuur mee dat zij verwachtte dat het standbeeld van Hugo de Groot in 1970 zou kunnen worden onthuld. Zekerheid hierover was er echter niet. Het bestuur gaf tevens aan dat het standbeeld “om esthetische redenen” niet, zoals dat van Johan van Oldenbarnevelt, in een nis zou worden geplaatst maar op het trottoir. Merkwaardigerwijs stond in een artikel in de editie van 2 oktober 1970 van Het Vrije Volk, waarin werd aangekondigd dat het standbeeld op 27 oktober 1970 zou worden onthuld, dat het standbeeld in de linkernis van het stadhuis zou worden geplaatst. In artikelen in andere dagbladen was de juiste toekomstige plek van het standbeeld vermeld: op het trottoir voor de linkernis.
Op 23 oktober 1970 werd het standbeeld van Hugo de Groot geïnstalleerd op de Coolsingel, op het trottoir voor de linkernis van het stadhuis.
Op 27 oktober 1970 werd het standbeeld van Hugo de Groot onthuld door Willem (Wim) Thomassen, burgemeester van Rotterdam. De onthullingshandeling bestond uit het verwijderen van de doek die om het standbeeld hing. Mr. Gerard Eduard Langemeijer, voorzitter van de Grotiuscommissie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, zei in zijn toespraak dat het voor zijn generatiegenoten ongebruikelijk was een grootheid te eren die in het verre verleden had geleefd maar dat Hugo de Groot nog steeds een man van de hedendaagse tijd was, wiens publicaties nog steeds aanspraken en van grote waarde waren. Mr. Wilhelm Franz Lichtenauer, voorzitter van Roterodamum, gaf in zijn toespraak aan dat het Historisch Genootschap zich voor de oprichting van een standbeeld van Hugo de Groot sterk had gemaakt omdat het voor Rotterdam belangrijk is geweest dat Hugo de Groot er enkele jaren had gewoond en gewerkt. In die tijd heeft hij zijn ideeën kunnen uitstrooien over een stad met inwoners die vanwege sterke heterogeniteit niet veel met elkaar gemeen hadden.
Op de voorzijde van de sokkel staat de naam HUGO GROTIUS en in Romeinse cijfers zijn geboortejaar en zijn sterfjaar. Op de linkerzijde van de sokkel staat de tekst DAT MEN VOOR AL DE WAERHEYD HEBBE | ENDE BEHOUDE: WANT SONDER DE | WAERHEYD EN IS HET GEEN VREDE | EN IS HET GEEN LIEFDE. Op de rechterzijde van de sokkel staat de tekst OMNIA FERT BATAVIS COELUM AUT MARE: | QUIDQUID IN ORBE EST | HUC VENIT, HOLLANDUM NOMEN | UBIQUE PATET. Op de achterzijde van de sokkel is vermeld dat het gemeentebestuur van Rotterdam het standbeeld van Hugo de Groot op voorstel van Roterodamum had laten vervaardigen om te gedenken dat hij in 1613 was benoemd tot pensionaris van Rotterdam.
In Rotterdam staan drie standbeelden van politici die pensionaris van Rotterdam zijn geweest: Gijsbert Karel van Hogendorp (Joseph Geefs, 1867), Johan van Oldenbarnevelt (Charles van Wijk, Arend Odé, 1920) en “Hugo de Groot” (Auke Hettema, 1970).
Bronnen:
– De Telegraaf, 24 oktober 1970
– De Tijd, 28 oktober 1970
– De Volkskrant, 28 oktober 1970
– Het Vrije Volk, 2 maart 1961, 1 maart 1963, 24 december 1963, 3 januari 1964, 28 februari 1967, 26 mei 1967, 1 maart 1969, 2 oktober 1970, 24 oktober 1970 en 28 oktober 1970
– Nederlands Dagblad, 15 oktober 1970 en 29 oktober 1970
– NRC Handelsblad, 28 oktober 1970
– Trouw, 24 december 1963
Hugo de Groot (Grotius) (Delft, 10 april 1583 – Rostock, 28 augustus 1645): auteur en rechtsgeleerde. Zijn boek “De iure belli ac pacis” (“Over het recht van oorlog en vrede”), verschenen in 1625, is eeuwenlang aangehouden als richtlijn voor het oorlogvoeren en vormt de basis van het moderne volkenrecht. Hugo de Groot is ook bekend door “Mare Liberum” (1609), waarin hij pleidooien hield voor (a) de vrije toegang tot de zee en (b) de vrijhandel. Van 1613 tot 1618 was Hugo de Groot pensionaris van Rotterdam.
Bron en verdere informatie:
– https://nl.wikipedia.org/wiki/Hugo_de_Groot_(rechtsgeleerde)