Liggende herten (Zeist)

Oeuvrenaam oorspronkelijke uitvoering: “Liegende Hirsche” (tweede uitvoering)
Ontwerp: Christian Daniel Rauch (Berlijn, 1843-1844)
Uitvoering: Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken (Ludwig Wilhelm Schütz), Zeist (1845-1851)
Materiaal: zink

Ook bekend onder de naam “Bronzen herten”
’t Zwitsershuis (voormalige boswachterswoning), Zeisterbos, Prins Bernhardlaan 1, Zeist (sinds februari 1952)


Hertenbeelden Zeisterbos

__________

__________

__________


(a) Beschrijving
De beeldengroep “Liggende herten” voor de vroegere boswachterswoning in het Zeisterbos zijn zinken gietsels, vervaardigd in Zeist, van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”. Dat het om de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche” gaat, is met name te zien aan de draaiing van de koppen van de hertenbeelden: niet onder een hoek van 90 graden, zoals in de eerste uitvoering van “Liegende Hirsche”.(1)
De hertenbeelden zijn hol en worden inwendig gedragen door een ijzeren frame, waarop de zinken delen zijn gesoldeerd.(2) Onder de hertenbeelden ligt géén metalen voetplaat maar een betonnen plaat.

(b) Datering
Aan de hand van de hertenbeelden kan niet worden vastgesteld wanneer ze zijn vervaardigd. Er zijn geen jaartallen in gegraveerd. De naam van het bedrijf dat de beelden heeft vervaardigd, is er ook niet in gegraveerd, evenmin als de naam van Christian Daniel Rauch.
Op grond van opmerkingen van Ingrid Helene Schütz, achterkleinkind van Ludwig Wilhelm Schütz (Kleinwelka, 1805 – Karlsbad, 1874), kan worden aangenomen dat beide hertenbeelden zijn gegoten in de Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken, Lageweg 27, Zeist, door Ludwig Wilhelm Schütz in 1842 opgericht.(3)
In 1845 maakte Schütz in Berlijn kennis met de techniek van zinkgieten. Misschien heeft hij in 1845 in Berlijn een bezoek gebracht aan Zinkguss-Firma Moritz Geiss, waar eind 1820-er jaren het proces van het gieten in zink was ontwikkeld. Hieruit volgt dat Schütz na terugkomst in 1845 uit Berlijn een gieting in zink heeft vervaardigd van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”.(4)
Op pagina 29 in Zink in Nederland – het gebruik van het metaal zink in de 19e eeuw (Meindert Stokroos, Amsterdam, 1983) is vermeld dat Schütz modellen gebruikte van Zinkguss-Firma Moritz Geiss in Berlijn en Zinkgiesserei Friedrich Kahle & Co in Potsdam. In Zinkguss-Firma Moritz Geiss werden vanaf de tweede helft van de 1840-er jaren zinken gietingen vervaardigd van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”. In Zinkgiesserei Friedrich Kahle & Co gebeurde dit vanaf op zijn laatst de 1860-er jaren. Dit kan betekenen dat de gietmallen die Schütz gebruikte voor het vervaardigen van de hertenbeelden, afkomstig waren van Zinkguss-Firma Moritz Geiss.
Veruit de meeste uitvoeringen van “Liegende Hirsche” die in de loop der jaren zijn gegoten, zijn gegoten in Duitsland.(5) Zo bezien is het uitzonderlijk dat de gieting van de hertenbeelden die tegenwoordig in het Zeisterbos staan, in Nederland heeft plaatsgevonden. Wat verder opvalt, is dat Schütz vrij kort na zijn kennismaking met de techniek van zinkgieten, een of misschien meerdere gietingen in zink van “Liegende Hirsche” heeft vervaardigd.
De hertenbeelden waren ontworpen door Rauch. Schütz heeft toestemming van Rauch nodig gehad om er een zinken gieting van te vervaardigen.(6) Het is mij niet bekend of Schütz hierover contact heeft gehad met Rauch, hetzij rechtstreeks, hetzij via Zinkguss-Firma Moritz Geiss. In de dagboeken en brieven van Rauch in de perioden 1841-1848 en 1849-1857 is hierover niets aangetekend.(7) Het is mij evenmin bekend of Schütz de gietmallen na afloop heeft teruggegeven aan Zinkguss-Firma Moritz Geiss of heeft gehouden om op bestelling hertenbeelden te gieten.

In 1898 heeft de gemeente Tilburg bij de Koninklijke Zinkfabriek F.W. Braat, gevestigd in Delft, een gieting in zink gekocht van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche” ten behoeve van het dat jaar in gebruik genomen Wilhelminapark in Tilburg. Braat had in 1894 de Koninklijke Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken overgenomen. De mogelijkheid bestaat dat bij het gieten in zink van de hertenbeelden voor het Wilhelminapark in Tilburg de mallen zijn gebruikt die Schütz in de tweede helft van de 1840-er jaren heeft gebruikt voor het gieten in zink van de hertenbeelden die tegenwoordig in het Zeisterbos staan. De hertenbeelden zijn in de periode juni-augustus 1898 gegoten en zijn op 13 augustus 1851 bij de ingang van het Wilhelminapark geplaatst. De ingekleurde ansichtkaart, hiernaast afgebeeld, toont de situatie in 1905. Na de Duitse inval in mei 1940 werden de hertenbeelden uit voorzorg in opslag genomen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn ze vanwege de dramatisch slechte staat waarin ze verkeerden, niet teruggeplaatst maar afgevoerd.(8)

(c) De Tentoonstelling van Nijverheid (Delft, 7-31 juli 1849)

Eén van de hertenbeelden (welk van de beelden, is niet duidelijk) is tussen 1845 en medio juni 1849 gegoten. Dit beeld is onder de naam “Een leggend hert” vermeld op pagina 123 van de catalogus van de van 7 tot 31 juli 1849 in Delft gehouden Tentoonstelling van Nijverheid, onder nummer 450h (450: opsomming van de inzendingen van L. Schütz).(9)
De Tentoonstelling van Nijverheid was een initiatief van Antonie (Antoine) Lipkens (1 januari 1782 – Warmond, 15 december 1847, eerste directeur van de Koninklijke Academie in Delft) en is gerealiseerd door de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid. De Tentoonstelling van Nijverheid werd gehouden in de gebouwen van de Koninklijke Academie in Delft. In het reglement van deze tentoonstelling, vastgesteld op 30 januari 1849, was de datum 13 mei 1849 als sluitingsdatum van aanmelding genoemd. In de catalogus is het hertenbeeld niet vermeld onder de nagekomen inzendingen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het hertenbeeld tijdig is ingezonden en waarschijnlijk ook tijdig is aangemeld. Het hertenbeeld moet dan ook gegoten zijn na terugkomst in 1845 van Schütz uit Berlijn en vóór 13 mei 1849, de sluitingsdatum van aanmeldingen voor de Tentoonstelling van Nijverheid.
De Tentoonstelling van Nijverheid zou oorspronkelijk in juli 1848 worden gehouden. Op 26 april 1848 werd besloten tot uitstel. Op 13 december 1848 werd besloten dat de tentoonstelling in 1849 zou worden gehouden. De kans bestaat dat Schütz het door hem in zink gegoten hertenbeeld in 1848 had willen exposeren op de Tentoonstelling van Nijverheid. Dat zou betekenen dat het hertenbeeld dat in 1849 op de (uitgestelde) Tentoonstelling van Nijverheid heeft gestaan, tussen 1545 en op zijn laatst 1848 is gegoten.
In een artikel in de Utrechtsche provinciale en stads-courant (29 augustus 1851) was in de opsomming van inzendingen van Schütz voor de Tentoonstelling van Nijverheid ook het beeld van het liggende hert vermeld. Uit het artikel blijkt niet of het beeld een gestrekte voorpoot had of twee gebogen voorpoten.

(d) De Wereldtentoonstelling (Great Exhibition, Londen, 1 mei – 15 oktober 1851)

Van 1 mei tot 15 oktober 1851 werd in het Crystal Palace in Hyde Park, Londen, de eerste Wereldtentoonstelling (The great exhibition of the works of industry of all nations, meestal aangeduid met de naam Great Exhibition) gehouden. Namens Nederland was Ludwig Wilhelm Schütz één van de inzenders. Hij had onder andere het hertenbeeld met gestrekte voorpoot ingezonden, te zien op bijgaande afbeelding. Uit dit gegeven volgt dat dit hertenbeeld in op zijn vroegst 1845 is vervaardigd, na terugkomst van Schütz uit Berlijn, en op zijn laatst in april 1851.(10)
In de Official descriptive and illustrative catalogue of the Great Exhibition (Londen, 1851, deel III, pagina 1148) is het door Schütz gegoten hertenbeeld vermeld onder nummer 98 met de aanduiding “Stag, embossed by Mr. Bauch, at Berlin”. Het beeld stond in de oostelijke wandelgang van Crystal Palace, ongeveer ter hoogte van de Nederlandse afdeling, naar zeggen op een ereplaats.(11) Schütz kreeg voor zijn ingezonden werk, waarvan het hertenbeeld met gestrekte voorpoot de meest belangrijke inzending was, een “Prize Medal” uitgereikt.(12)

Eén van de werken die Zinkguss-Firma Moritz Geiss had ingezonden voor de Wereldtentoonstelling in Londen in 1851, was een gieting in zink van beide herten van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”. In de Official descriptive and illustrated catalogue of the Great Exhibtion (Londen, 1851, deel III, pagina 1063) zijn deze beelden vermeld onder nummer 267 met de aanduiding “Two stags after Rauch”. Op de in deze paragraaf afgebeelde gravure, vervaardigd door J. Watkins, is een aantal bij Moritz Geiss in zink gegoten beelden weergegeven die geëxposeerd waren in de afdeling “Zollverein” waaronder “Amazone” (August Karl Eduard Kiss) en “Hebe” (Antonio Canova). Er is slechts één hertenbeeld te zien, het hertenbeeld met gestrekte voorpoot.
Het door Schütz vervaardigde hertenbeeld met gestrekte voorpoot was op de Wereldtentoonstelling in Londen in 1851 niet als kunstwerk geëxposeerd maar als proeve van een nieuwe reproductiewijze, i.e. het zinkgieten. Dit kan erop wijzen dat Schütz dit hertenbeeld niet op bestelling had vervaardigd en het andere hertenbeeld waarschijnlijk evenmin. Ook de hertenbeelden die Moritz Geiss had ingezonden, waren geëxposeerd als proeve van een nieuwe reproductiewijze.(13)

(e) De hals van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot

Bij het zinkgegoten exemplaar in het Zeisterbos van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot is het verloop van de hals niet vloeiend. De halsdelen sluiten niet goed op elkaar aan; het beharingspatroon is onderbroken. Er is duidelijk een rondom lopende lasnaad te zien. Deze onregelmatigheden dateren van vóór het onderhoud in 1980 op de gemeentewerf van Zeist.

Het in Zinkguss-Firma Moritz Geiss in 1852 gegoten zinken exemplaar van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot, dat sinds dat jaar op landgoed Bowood House and Gardens aan de trap naar de Oranjerie is geplaatst, heeft een vloeiende hals. Er is geen lasnaad te zien. De beharing is vloeiend en laagsgewijs. Hiernaast is een foto van dit exemplaar te zien, gemaakt door Michael Garlick.
Ook het bij Johannes Brix in 1872 in Berlijn zinkgegoten exemplaar van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot, dat sinds 1872 in het Tower Grove Park in Saint Louis staat, is het verloop van de hals en het beharingspatroon vloeiend.

Vooralsnog is het een raadsel waarom het verloop van de hals van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot dat in het Zeisterbos staat, onregelmatig is, zeker gezien het regelmatige verloop van de hals van het exemplaar op Bowood House and Gardens, dat kort na het exemplaar in het Zeisterbos is gegoten, waarbij op deze website rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de mallen die gebruikt zijn voor het gieten van de exemplaren in Zeist, geleverd waren door Moritz Geiss. Er zijn geen foto’s bewaard gebleven die gemaakt zijn na voltooiing van de vervaardiging van dit exemplaar. Hierdoor is niet bekend in welke staat de hals zich toen bevond: een vloeiend verloop, zoals bij het zink gegoten exemplaar op landgoed Bowood House and Gardens, of een onregelmatig verloop. Redelijkerwijs mag worden verondersteld dat de mallen in goede staat in Zeist zijn aangekomen en dat het verloop van de hals van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot aanvankelijk vloeiend was. Dit doet de vraag rijzen of dit hertenbeeld in de loop der tijd schade heeft opgelopen die niet goed gerepareerd kon worden. De vragen zijn mede interessant omdat Schütz het hertenbeeld met gestrekte voorpoot tentoon had gesteld op de Wereldtentoonstelling in Londen in 1851.

(f) De periode 1851-1916
Na afloop van de editie-1851 van de Wereldtentoonstelling in Londen heeft Franz Albert August Karl Emanuel von Saksen-Coburg und Gotha (Coburg, 26 augustus 1819 – Windsor Castle, 14 december 1861), de prins-gemaal van koningin Victoria en een van de organisatoren van de Wereldtentoonstelling, van elk van de door Zinkguss-Firma Moritz Geiss vervaardigde hertenbeelden een exemplaar aangekocht.(14) Misschien waren dit de twee tentoongestelde exemplaren.

Na afloop van de editie-1851 van de Wereldtentoonstelling werd het gebouwencomplex afgebroken. Op Sydenham Hill in Londen werd het herbouwd in een grotere versie.
Tijdens de Wereldtentoonstelling die in 1854 werd gehouden in het Crystal Palace, Sydenham Hill, waren in de Stationary Court twee witte exemplaren van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche” tentoongesteld.(15) Wat er na afloop van de tentoonstelling met deze exemplaren is gebeurd, is mij niet bekend.
Op 30 november 1936 is het Crystal Palace in vlammen opgegaan.
Wat er in de periode tussen 1851 en 1916 (aanleg landgoed Djimat in Zeist) is gebeurd met de hertenbeelden die Schütz heeft gegoten, is niet duidelijk. Volgens Restauratie Atelier Picard is het hertenbeeld dat in 1851 op de Wereldtentoonstelling in Londen stond, na afloop van de tentoonstelling op zeker moment aangekocht door ene Willem Veder, die het voor zijn woning in Rotterdam zou hebben geplaatst. Waar in Rotterdam deze Willem Veder woonachtig was, was voor Restauratie Atelier Picard niet duidelijk. Zij vermoedden: Westplein 11. Andere bronnen houden het erop dat de hertenbeelden na de Wereldtentoonstelling her en der hebben gestaan, om uiteindelijk in Zeist op landgoed Djimat te worden geplaatst.

(g) Buitenplaats Djimat (1916-1951)

In 1916 kocht Anthony (Anton) Veder Veder (Rotterdam, 21 oktober 1879 – Zeist, 21 augustus 1928), bankier en fervent radioamateur, een landgoed aan de Woudenbergseweg in Zeist aan, waaraan hij de naam Djimat gaf (naamvarianten: Dhjimat, Djimad). In dat jaar liet hij door het Rotterdamse architectenbureau J. Muller & Zoon & Van der Tak een tuinmanswoning op het landgoed bouwen (Woudenbergseweg 58-58A) die tegenwoordig bekend staat als het “Huisje van Koek”.(16)
Volgens R.P.M. (Pierre) Rhoen, van 1988 tot 2016 gemeentearchivaris van Zeist, was Veder eigenaar van de hertenbeelden. Rhoen schrijft dat niet bekend is hoe Veder aan de hertenbeelden is gekomen. Hij verwijst naar een mededeling van Van Voorst tot Voorst dat de beelden eigendom waren van een zekere Willem Veder, die ze voor zijn woning in Rotterdam had staan. Het was Van Voorst tot Voorst niet duidelijk of deze Willem Veder familie was van Anton Veder. Rhoen heeft niets geschreven over waar in Rotterdam Willem Veder woonachtig is geweest. Over Anton Veder schrijft hij dat deze in Rotterdam op Westplein 7 had gewoond en vanaf 1923 op Westplein 11, een herenhuis. Volgens andere bronnen hebben de beelden op verschillende plaatsen in Nederland gestaan en zijn ze op zeker moment op landgoed Djimat geplaatst.

Als de informatie klopt dat de hertenbeelden eigendom zijn geweest van Anton Veder, zijn de hertenbeelden tussen 1916 (het jaar waarin Veder het landgoed aankocht) en 21 augustus 1928 (de datum waarop Veder is overleden) op het landgoed geplaatst. Op de ansichtkaarten die in deze paragraaf zijn afgebeeld, zijn de hertenbeelden op het landgoed te zien op een zand-cementen rotsplateau. De bovenste ansichtkaart is in 1930/34 uitgegeven door J.W. Kraal in Driebergen en geeft volgens sommige bronnen de toestand in 1933 weer. De onderste ansichtkaart is uitgegeven door G. v.d. Kuil in Austerlitz.
Het is niet bekend welk bedrijf het rotsplateau heeft vervaardigd en in welk jaar. Het is goed denkbaar dat het rotsplateau met het oog op plaatsing van de hertenbeelden is vervaardigd, dus in de periode 1916 – 21 augustus 1928.

(h) Plaatsing in het Zeisterbos (1952)
Op 20 januari 1951 werd in het Utrechts Nieuwsblad bekend gemaakt dat Maria Johanna Veder-van Hoboken (Ambachtsvrouwe van Noordeloos en Overslingeland, Rotterdam, 15 oktober 1884 – Zeist, 23 augustus 1964), de weduwe van Anton Veder, de beide hertenbeelden en het rotsplateau aan de gemeente Zeist had aangeboden met het verzoek ze te plaatsen op of in de nabijheid van het hertenkamp in Zeist aan de Laan van Beek en Royen.(17)
In de zomer van 1951 werden de hertenbeelden en het rotsplateau overgebracht naar de Gemeentelijke Werkplaats in Zeist en aldaar gerepareerd. Met het oog op de kwetsbaarheid van de hertenbeelden adviseerde de directeur van de Gemeentelijke Werkplaats om de beelden en het rotsplateau niet in het hertenkamp te plaatsen maar in een grasveld voor de boswachterswoning in het Zeisterbos. Dit advies werd opgevolgd en in februari 1952 werden de hertenbeelden en het rotsplateau in het Zeisterbos geplaatst, voor de boswachterswoning, op een steenworp afstand van het hertenkamp.(18) Met deze plaatsing was voldaan aan de wens van de weduwe van Anton Veder. De hertenbeelden in het Zeisterbos werden een begrip voor de inwoners van Zeist en voor hen die in het Zeisterbos gingen wandelen.

(i) Onderhoud (1980)

In 1980 kregen de hertenbeelden op de Gemeentewerf in Zeist een onderhoudsbeurt en een schilderbeurt en werden er in het Zeisterbos onderhoudswerkzaamheden aan het zand-cementen rotsplateau uitgevoerd. Van deze werkzaamheden zijn filmopnames gemaakt.(19)
Het onderhoud aan de hertenbeelden werd uitgevoerd op de eerste verdieping van een loods op de Gemeentewerf. Op filmopnames zijn een aantal werkzaamheden te zien aan het hertenbeeld met gestrekte voorpoot: de behandeling van een soldeernaad, het polijsten en terugplaatsen van de gedemonteerde gestrekte voorpoot, het aan elkaar solderen van delen van een geweitak, het terugplaatsen van de geweitak op de kop van het hertenbeeld en het aanbrengen van een betonnen voetplaat.
Na voltooiing van de onderhoudswerkzaamheden werden de hertenbeelden geschilderd op de begane grond van de loods. Ook daar zijn filmopnames van gemaakt. Eerst werd een grondverf aangebracht, daarna de definitieve verflaag. Op de foto in deze paragraaf zijn de hertenbeelden te zien na voltooiing van de schilderwerkzaamheden.
Op filmopnames die zijn gemaakt in het Zeisterbos tijdens de onderhoudswerkzaamheden aan het zand-cementen rotsplateau, is niet te zien dat de rotsplateaudelen werden gehergroepeerd. Het lage deel van het rotsplateau, dat rechts lag, werd links geplaatst; het hoge deel, dat links lag, werd rechts geplaatst. Het is mij niet bekend waarom dit is gebeurd.
De voetplaten werden vervangen door betonnen platen.
Na voltooiing van de werkzaamheden werden de hertenbeelden teruggeplaatst. Ook dit is gefilmd, inclusief de rit op een Hanomag-truck van de Gemeentewerf naar de boswachterswoning in het Zeisterbos. Het hertenbeeld met gestrekte voorpoot werd links geplaatst, op het lage deel van het rotsplateau; het hertenbeeld met de gebogen voorpoten werd rechts geplaatst, op het hoge deel.

(j) Restauratie (2016)
In de jaren na 1980 vond geen onderhoud van de hertenbeelden plaats. Hun toestand ging meer en meer achteruit. Ze raakten overwoekerd met mos en gebladerte en werden door corrosievorming aangetast. Eén van de geweien brak af.
Volgens Ingrid Helene Schütz heeft Pierre Rhoen baanbrekende ruchtbaarheid gegeven aan de betreurenswaardige staat waarin de hertenbeelden verkeerden. In De gebronsde zinken hertengroep in het Zeisterbos (Zeist, 16 juli 2015) besteedde hij uitvoerig aandacht aan de geschiedenis van de hertenbeelden en hun betekenis voor Zeist. Zonder omhaal schreef hij dat de beelden dringend aan herstel toe waren.

Stichting Het Utrechts Landschap, beschermer van natuur en erfgoed in de provincie Utrecht en eigenaar van het Zeisterbos, waarin de hertenbeelden staan, zette een actie in gang om de hertenbeelden gerestaureerd te krijgen. Door de restauratie zou voor de gemeente Zeist een cultuurhistorisch monument weer in goede staat gaan verkeren. De hertenbeelden zouden symbool staan voor het streven van Het Utrechts Landschap om door aankoop van natuurgebieden en aanleg van ecoducten het voor edelherten mogelijk te maken heen en weer te trekken tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug.(20)
Het restaureren van de hertenbeelden en het uitvoeren van bijkomende werkzaamheden werd begroot op 75.000 euro. De restauratie van de hertenbeelden, begroot op 15.000 euro, moest via een inzamelingsactie gefinancierd worden. Het herstellen van het rotsplateau moest gefinancierd worden met fondsen en subsidies. Herinrichting van de omgeving zou gefinancierd worden door Het Utrechts Landschap.
In het BNNVARA televisieprogramma “Vroege vogels” werd op 16 maart 2016 aandacht gegeven aan de hertenbeelden. Joris Hellevoort, boswachter in het Zeisterbos en in dienst van Het Utrechts Landschap, gaf op social media uitleg over de restauratie.
Buurtvereniging “Rond het Wilhelminapark” hield onder de inwoners in Zeist de inzamelingsactie “Red de hertenbeelden Zeisterbos”. Iedere gift was welkom. Wie 15 euro doneerde, zou worden uitgenodigd de onthulling van de gerestaureerde beelden bij te wonen. Wie 25 euro doneerde, kreeg naast de uitnodiging een voucher voor gratis koffie bij een van de informatiecentra van Het Utrechts Landschap. Wie 50 euro doneerde, kreeg naast de uitnodiging en de voucher een knuffelhertje. Wie 100 euro doneerde, kreeg bij dit alles ook een uitnodiging om met de boswachter op excursie te gaan. Wie 250 euro doneerde, kreeg bij dit alles ook een persoonlijke attentie. Het streefbedrag van 15.000 euro werd ruimschoots gehaald; de eindstand was 17.764,48 euro. Verder was er financiële steun van de gemeente Zeist, het K.F. Heinfonds, het Carel Nengerman Fonds, de Nationale Postcode Loterij, de Stichting Elyse Mathilde Fonds en de Stichting Van Mourik & Nazaten.

In maart 2016 maakte Restauratie Atelier Picard (Amsterdam) een begin met de restauratie van de hertenbeelden. Bij inspectie werd onder andere geconstateerd dat door het roesten van het ijzeren frame soldeernaden van de zinken delen op diverse plaatsen open waren gegaan of ingescheurd. De restauratiewerkzaamheden werden voor het overgrote deel ter plekke uitgevoerd. Voor de duur van de restauratie werden de hertenbeelden met twee grote tenten overkoepeld, met uitzondering van de reconstructie van een afgebroken gewei (in delen teruggevonden op het terrein). Deze reconstructie werd in het atelier uitgevoerd.
Voorafgaand aan de werkzaamheden werden de hertenbeelden grondig gereinigd, waarna de openstaande naden werden behandeld en andere werkzaamheden werden uitgevoerd. Het frame werd behandeld met Tectylspray om verdere roestvorming te vertragen.
Na voltooiing van de reparaties werden de hertenbeelden geschilderd en opgeleverd. Bij de eerste oplevering constateerde een lid van de kunstcommissie Zeist dat de kleur van de hertenbeelden lichter was dan was te zien op authentieke opnamen en een bewaard gebleven kleurschilder. De hertenbeelden werden nogmaals geschilderd, in een door de kunstcommissie gekozen donkerder brons-bruine kleur.(21)
Het rotsplateau werd gerestaureerd door Steenhouwerij Maarssen.
Het terrein rondom het bezoekerscentrum werd door Blaauwendraat Landschapsverzorging (Renswoude) opnieuw ingericht zodat de hertenbeelden goed tot hun recht zouden komen.
In landelijke dagbladen (Algemeen Dagblad, De Telegraaf) en regionale weekbladen (Zicht op Zeist, editie Utrechtse Heuvelrug) verschenen in juni 2016 artikelen over de restauratie van de hertenbeelden.
Op 8 december 2016 zijn de twee hertenbeelden her-onthuld bij de boswachterswoning door Joris Hellevoort (boswachter, werkzaam voor Stichting Het Utrechts Landschap), Saskia van Dockum (directeur-rentmeester van Stichting Het Utrechts Landschap) en Marcel Fluitman (wethouder Sociaal, Gezond, Kunst en cultuur in de gemeente Zeist). RTV Utrecht deed verslag van de her-onthulling en in onder andere het Algemeen Dagblad werd er aandacht aan besteed.
Sinds de her-onthulling in 2016 hebben de hertenbeelden de status van gemeentelijk monument. De beelden zijn opgenomen in de Dierenroute Zeisterbos, een ongeveer 2 km lange wandelroute voor het hele gezin.

HERTENBEELDEN IN HET PALEIS VOOR VOLKSVLIJT IN AMSTERDAM (1864, 1909)

In de Beeldbank van het Archief Amsterdam bevindt zich een foto van een visitekaart van het Paleis voor Volksvlijt, Frederikstraat 56, Amsterdam. Dit gebouw was de Nederlandse pendant van het Crystal Palace in Londen, waar in 1851 de Wereldtentoonstelling was gehouden.
De foto van de visitekaart is gemaakt door Andries Jager, is gedateerd op de periode 1864-1870 en draagt als titel: Interieur van het Paleis voor Volksvlijt. De visitekaart had een afmeting van 106×63 mm.
Hiernaast is een uitsnede afgebeeld van de foto van de visitekaart. Op de achtergrond staan de exemplaren van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”. Het hertenbeeld met gestrekte voorpoot is links opgesteld. Het hertenbeeld met gebogen voorpoten is rechts opgesteld. Er zijn geen gegevens waaruit blijkt of de hertenbeelden zijn gegoten in brons of in zink. In het bijschrift is geen aandacht besteed aan de hertenbeelden. Ook is er geen tentoonstelling in vermeld waarin de hertenbeelden zouden kunnen zijn geëxposeerd.

De titel van de foto van de visitekaart doet vermoeden dat de hertenbeelden deel hebben uitgemaakt van het interieur van het Paleis voor Volksvlijt. Dit zou kunnen betekenen dat ze door het Paleis voor Volksvlijt zijn aangekocht. In deze fotoreportage wordt ervan uitgegaan dat dat het geval is geweest en dat ze zijn geplaatst of onthuld bij de opening ervan op 16 augustus 1864. Dit vermoeden wordt deels bevestigd door een foto, hiernaast afgebeeld, die op 1 februari 1909 in de tuin van het Paleis voor Volksvlijt is gemaakt van het hertenbeeld met gebogen voorpoten. Het hertenbeeld is voorzien van een voetplaat.
Wat betreft de herkomst van de hertenbeelden zijn er verschillende mogelijkheden. Een van de mogelijkheden is dat ze afkomstig zijn uit het buitenland, bijvoorbeeld Duitsland, en daar hetzij nieuw zijn gegoten hetzij ergens hebben gestaan. Een andere mogelijkheid is dat ze in 1864 in Nederland nieuw zijn gegoten, misschien in de Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken van Ludwig Wilhelm Schütz in Zeist. Dat zou dan kunnen zijn gebeurd met de gietmallen die Schütz in de 1840-er jaren had gebruikt. Een derde mogelijkheid is dat de hertenbeelden de exemplaren zijn die de tweede helft van de 1840-er jaren zijn gegoten in de Fabriek van Gegoten Zink- en Bronswerken van Ludwig Wilhelm Schütz en die tegenwoordig in het Zeisterbos staan.
Schütz was voor het Paleis voor Volksvlijt geen onbekende. Op de Tentoonstelling van bouwnijverheid die in 1853 in Amsterdam werd gehouden, kreeg hij als hulde aan zijn bekwaamheid en kunstsmaak een gouden medaille uitgereikt van de Vereeniging voor Volksvlijt. Deze vereniging, opgericht in 1852 door Samuel Sarphati (Amsterdam, 31 januari 1813 – 23 juni 1866), wilde door middel van het organiseren van tentoonstellingen de nijverheid in Nederland bevorderen en de armoede wilde bestrijden. In 1853 werd prins Frederik, broer van koning Willem III, beschermheer van de vereniging. De Vereniging voor Volksvlijt stelde zich toen tot doel het realiseren van een Paleis voor Volksvlijt, in navolging van het Crystal Palace in Londen, waar in 1851 de Wereldtentoonstelling was gehouden. Sarphati had deze tentoonstelling bezocht. In 1855 werd de NV Paleis voor Volksvlijt opgericht.(22)
De bouw van het Paleis voor Volksvlijt begon op 7 september 1858 en was in augustus 1864 voltooid. De Fabriek van Gegoten Zink- en Bronswerken van Ludwig Wilhelm Schütz heeft de kapitelen en ornamenten geleverd. Op 8 september 1863 werd op de koepel van het Paleis voor Volksvlijt een Victoriabeeld geplaatst, een engel uitbeeldend met een lichtende fakkel, ontworpen door Jean Joseph Jaquet (Antwerpen, 1822- Schaarbeek, 1898). Dit beeld was gegoten in de Fabriek van Gegoten Zink- en Bronswerken. In de bron waaruit deze informatie afkomstig is, is over de hertenbeelden niets vermeld.(23) In de nacht van 17 op 18 april 1929 is het Paleis voor Volksvlijt afgebrand.
Ik neig naar de veronderstelling dat op de visitekaart de zinken hertenbeelden te zien zijn die Schütz in de tweede helft van de 1840-er jaren heeft gegoten, dat het Paleis voor Volksvlijt deze beelden bij Schütz heeft aangekocht voor haar inventaris, ze in augustus 1864 heeft geplaatst en op een later moment naar de tuin heeft verplaatst. In de periode 1916-1928 zouden ze kunnen zijn aangekocht door Anton Veder ten behoeve van plaatsing op zijn landgoed Djimat in Zeist.

VASTSTAANDE FEITEN OVER DE BEELDENGROEP “LIGGENDE HERTEN” IN HET ZEISTERBOS
Over de beeldengroep “Liggende herten” in het Zeisterbos kan met vrij grote zekerheid het volgende worden gezegd:

  • De beeldengroep “Liggende herten” in het Zeisterbos is een gieting in zink van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”, ontworpen in 1843/44 door Christian Daniel Rauch.
  • Deze hertenbeelden zijn gegoten in de Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken, Lageweg 27, Zeist, die eigendom was van Ludwig Wilhelm Schütz.
  • Deze hertenbeelden zijn tussen 1845 en 1851 in zink gegoten. Voor het gieten is gebruik gemaakt van mallen, vermoedelijk afkomstig uit de Zinkguss-Firma Moritz Geiss in Berlijn.
  • Eén van de hertenbeelden heeft in juli 1849 op de Tentoonstelling van Nijverheid in Delft gestaan. Deze tentoonstelling zou oorspronkelijk in 1848 worden gehouden, maar werd een jaar uitgesteld.
  • Het hertenbeeld met gestrekte voorpoot heeft van begin mei tot medio oktober 1851 op de Wereldtentoonstelling in Londen gestaan.
  • Beide hertenbeelden en het zand-cementen rotsplateau zijn in op zijn vroegst 1916 en op zijn laatst 1928 geplaatst op landgoed Djimat, Woudenbergseweg, Zeist, aangekocht in 1916 door de op 21 augustus 1928 overleden Anton Veder.
  • In januari 1951 werd bekend dat Maria Johanna Veder-van Hoboken, de weduwe van Anton Veder, de hertenbeelden en het rotsplateau had aangeboden aan de gemeente Zeist.
  • In de zomer van 1951 zijn de hertenbeelden en het rotsplateau overgebracht van landgoed Djimat naar de Gemeentelijke Werkplaats in Zeist, alwaar reparaties werden uitgevoerd.
  • In februari 1952 zijn de hertenbeelden en het rotsplateau voor de boswachterswoning in het Zeisterbos geplaatst.
  • In 1980 heeft de gemeente Zeist onderhoudswerkzaamheden aan de hertenbeelden en het rotsplateau laten uitvoeren, waarbij het hoge en lage deel van het rotsplateau onderling werden gewisseld (het lage deel van het rotsplateau werd links geplaatst, het hoge deel rechts).
  • Van maart tot december 2016 zijn de hertenbeelden en het rotsplateau grondig gerestaureerd en is de omgeving waarin ze staan, opnieuw ingericht.

ONBEANTWOORDE VRAGEN OVER DE HERTENBEELDEN IN HET ZEISTERBOS EN HET PALEIS VOOR VOLKSVLIJT
De beschikbare informatie in de voor deze fotoreportage geraadpleegde bronnen is niet toereikend om de ontstaansgeschiedenis en lotgevallen van de hertenbeelden in Zeisterbos en het Paleis voor Volksvlijt volledig in kaart te brengen.
De geraadpleegde bronnen geven geen informatie waarmee de volgende vragen kunnen worden beantwoord:

  • Op welke data zijn de hertenbeelden die tegenwoordig in het Zeisterbos staan, gegoten?
  • Heeft Schütz toestemming gevraagd om een gieting in zink van de hertenbeelden te vervaardigen? Aan wie heeft hij dat gevraagd? Heeft hij een licentie gevraagd om de hertenbeelden op bestelling te vervaardigen, zoals dat ook in Duitsland gebeurde? Wanneer heeft Schütz de mallen geleverd gekregen en van wie? Van Zinkguss-Firma Moritz Geiss, naar mag worden verondersteld?
  • Wat is er in de 1840-er jaren met de mallen gebeurd nadat de hertenbeelden waren gegoten? Zijn ze teruggegeven aan de leverancier of zijn ze bewaard gebleven? Zijn in de fabriek van Schütz nog meer exemplaren van de hertenbeelden gegoten?
  • Heeft Schütz in 1845-1851 de hertenbeelden die tegenwoordig in het Zeisterbos staan, in opdracht vervaardigd, als probeersel van een nieuwe techniek of met het oog op tentoonstellingen zoals de Tentoonstelling van Nijverheid in Delft en de Wereldtentoonstelling in 1851 in Londen? Of heeft hij ze op bestelling vervaardigd maar tot aan 1851 niet verkocht of niet kunnen verkopen?
  • Welk hertenbeeld heeft in 1849 op de Tentoonstelling van Nijverheid in Delft gestaan? Was het de bedoeling geweest dit hertenbeeld in 1848 op de Tentoonstelling van Nijverheid te exposeren? Wat is er in 1849 na afloop van de Tentoonstelling voor Nijverheid met het hertenbeeld gebeurd? Wie waren daarbij betrokken?
  • Wat is er na afloop van de Wereldtentoonstelling in 1851 in Londen tot aan de plaatsing op landgoed Djimat gebeurd met het hertenbeeld met gestrekte voorpoot? Wie waren daarbij betrokken?
  • Wat is er na afloop van de Wereldtentoonstelling in 1851 in Londen tot aan de plaatsing op landgoed Djimat gebeurd met het hertenbeeld met gebogen voorpoten? Wie waren daarbij betrokken?
  • In welk jaar zijn de exemplaren van de tweede uitvoering van “Liegende Hirsche” in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam geplaatst? Uit welk materiaal waren ze vervaardigd? Bij wie had het Paleis voor Volksvlijt de hertenbeelden aangekocht? Betrof het bestaande exemplaren (bijvoorbeeld: de exemplaren die Schütz in de 1840-er jaren had gegoten) of nieuw gegoten exemplaren?
  • Op welke datum heeft Anton Veder landgoed Djimat aangekocht?
  • Wanneer zijn de hertenbeelden op landgoed Djimat geplaatst? Wie heeft het zand-cementen rotsplateau ontworpen? Wanneer is dit rotsplateau op landgoed Djimat geplaatst en door wie?
  • Wat is de oorzaak van de knik in de hals van het hertenbeeld met gestrekte voorpoot? Is die knik het gevolg van schade? Zo ja, wanneer is die schade ontstaan en verholpen?
  • Waarom zijn bij het onderhoud in 1980 het hoge en het lage deel van het rotsplateau onderling gewisseld?

Verder onderzoek moet uitsluitsel geven.

De Meern, 16 december 2022,
TWM van Berkel

__________

Noten
(1) Zie: De eerste en tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”
(2) restauratieatelierpicard.nl
(3) Zie: voorjebuurt.nl. Ludwig Wilhelm Schütz was lid van de Evangelische Broedergemeente (Hernhutters) en vestigde zich in 1834 in Zeist. In dat jaar nam hij het koperslagers- en loodgietersbedrijf van Hermann David Höver over, dat gevestigd was op het terrein van de Evangelische Broedergemeente bij Slot Zeist. In 1838 breidde Schütz het bedrijf uit met een ijzergieterij. In 1842 kocht hij het perceel op de hoek van de Nassau-Odijklaan en de Lageweg in Zeist en richtte hij de Fabriek van gegoten Zink- en Bronswerken op. Na zijn overlijden in 1874 werd zijn zoon, Ludwig Wilhelm Rudolph Schütz (Zeist, ca. 1846 – 30 maart 1915), directeur. In 1876 kende koning Willem III aan het bedrijf het predicaat “Koninklijk” toe. In 1894 werd het bedrijf verkocht aan F.W Braat, eigenaar van de Koninklijke Zinkfabriek F.W. Braat in Delft. In 1907 werden de werkzaamheden in Zeist beëindigd. Sinds 2018 is in de villa van Ludwig Wilhelm Schütz Stichting “Museum Het Hernhutter Huis” gevestigd.
Hernhutters (Moravische broeders): leden van de Evangelische Broederschap (Unitas Fratrum), een piëtistische opwekkingsbeweging, opgericht in 1722 door Nikolaus Ludwig Graf von Zinzendorf (Dresden, 26 mei 1700 – Herrnhut, 9 mei 1760). Von Zinzendorf wilde terug naar een oprecht geloof in Jezus Christus. In Nederland vestigden de Hernhutters zich in 1745 in de tuinen van Slot Zeist.
(4) Zie: Het Hernhutter Huis (Jan van ’t Hul) en de Utrechtsche provinciale en stads-courant (29 augustus 1851), waarin is geschreven dat Schütz zich naar aanleiding van publicaties van Moritz Geiss ging toeleggen op het zinkgieten. In 1854 zijn bij de gieterij van Schütz zinken gietsels vervaardigd van de door Christian Daniel Rauch ontworpen Adelaars. Deze beelden werden op pijlers links en rechts van de hoofdingang van Artis in Amsterdam geplaatst.
(5) Zie de tabel “Overzicht van gietingen van “Liegende Hirsche” in De eerste en tweede uitvoering van “Liegende Hirsche”.
(6) In de negentiende eeuw was in Duitsland voor het verveelvoudigen van beelden een reproductievergunning vereist. De gieterij in kwestie sloot hiertoe een op vergoedingen gebaseerde overeenkomst met de beeldhouwer. Op die manier verkreeg de gieterij het exclusieve reproductierecht (mededeling dr. J. Mende, Stadtmuseum Berlijn).
(7) Mededeling K. Tuma, archivaris Staatliche Museen zu Berlin – Preussischer Kulturbesitz, 12 december 2022.
(8) Zie: Christian Daniel Rauch: “Liggende herten” (Tilburg).
(9) Zie pagina 123 in Catalogus der voortbrengselen van inlandsche nijverheid, ingezonden voor de tentoonstelling voor de provinciën Zuid- en Noord-Holland te Delft. in julij 1849.
(10) Volgens Restauratie Atelier Picard, die de beide hertenbeelden in 2016 heeft gerestaureerd, was het hertenbeeld dat in 1851 op de Wereldtentoonstelling in Londen had gestaan (hen was niet duidelijk welk van de twee hertenbeelden), eigendom van Schütz en in 1848 in diens gieterij vervaardigd.
(11) Volgens het artikel in de Utrechtsche provinciale en stads-courant (29 augustus 1851) stond het door Schütz gegoten hertenbeeld (een schoon in zink gegoten rustend hert) tussen de beelden “Cain” (Louis Jehotte), “Gewonde Achilles” (Innocenzo Fraccaroli), “Mazeppa” (Pierotti), “Psyche” (Charles Auguste Fraikin), “Schone vissers” (“Vissersmeisjes”, Raffaele Monti) en het beeld van een verliefde leeuw (Guillaume (Willem) Geefs), dat bij de dichtbij gelegen Belgische afdeling was geplaatst.
(12) Van Voorst tot Voorst, p.484. “Prize Medals”, één van de drie hoge onderscheidingen van de Great Exhibition, werden uitgereikt aan exposanten wier inzendingen door een gespecialiseerde jury als verdienstelijk werden bestempeld. Op de achterkant van een “Prize Medal” was Vrouwe Brittannia (het symbool van Engeland) afgebeeld, die onder toezicht van allegorische figuren, Europa, Azië, Afrika en Amerika voorstellend, een industrieel kroont (bron: https://www.dcmmedals.co.uk/medals-of-the-great-exhibition-1851).
(13) Van Voorst tot Voorst, p.484. In de Official descriptive and illustrative catalogue of the Great Exhibition (Londen, 1851, deel III, pagina 1148) werden de inzendingen van Schütz gepresenteerd onder de vermelding “Specimens of zinc casting”. De inzendingen van Moritz Geiss werden gepresenteerd onder de vermelding “Statues cast in zinc” (Official descriptive and illustrated catalogue of the Great Exhibtion (Londen, 1851, deel III, pagina 1063).
(14) Facebookpagina Bowood House, 8 december 2021.
(15) https://sydenharm.org.uk.
(16) Bron: ZEIST GROEI EN BOUW Huis ter Heide Lyceumkwartier en Austerlitz (Zeist, 1994, p.218). De hierin staande benaming “J. Muller en Zn. en Van de Tak” is niet juist. Architectenbureau J. Muller & Zoon & Van der Tak is opgericht in 1911 en heeft bestaan tot 1941 (bron: Het Nieuwe Instituut).
(17) Utrechts Nieuwsblad (20 januari 1951). In dit artikel is de naam W.J. van Hoboken vermeld in plaats van de naam M.J. van Hoboken. Het hertenkamp ligt niet aan de Laan van Beek en Royen maar aan de hoek van de Woudenbergseweg en de Prins Bernhardlaan. Landgoed Djimat, eigendom van de KPM (Koninklijke Paket Maatschappij), waarvan Anthony Veder, zoon van Anton Veder en Maria Johanna van Hoboken, directeur was, is begin 1960 door de KNVB aangekocht (zie: Bestemmingsplan KNVB Campus, Zeist, 2015).
(18) De gebronsde zinken hertengroep in het Zeisterbos (R.P.M. Rhoen, gemeentearchief Zeist, 16 juli 2015).
(19) Geel is onze kleur (in: Anton Wisman: Zeister Amateurfilms 1916-1999 (DVD Zeister Historisch Genootschap, 2010).
(20) Het Utrechts Landschap: Herten op de Heuvelrug.
(21)
Zie restauratieatelierpicard.nl voor een uitgebreide fotoreportage van de restauratie in 2016 van de hertenbeelden.
(22) Historische hertengroep in het Zeisterbos; Digitale etalages: Het Paleis voor Volksvlijt; paleisvoorvolksvlijt.nl.
(23) Het twintigjarig bestaan van het Paleis voor Volksvlijt (Amsterdamsche Courant, 16 augustus 1884).

Met dank aan:
Hans Picard (Restauratie Atelier Picard, Amsterdam)

Zie ook:
Christian Daniel Rauch: “Liggende herten” (Tilburg, Wilhelminapark)

  Christian Daniel Rauch: “Liegende Hirsche”
  CHRISTIAN DANIEL RAUCH