Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)

Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem”
Den Haag, Houtrusthallen, 30 maart – 10 april 1939


affiche “De Hofstadbloem”, 1939
Haags Gemeentearchief, identificatienummer 500203


INHOUDSOPGAVE

DE HOUTRUSTHALLEN
1939: TWEEDE EDITIE BLOEMENTENTOONSTELLING “DE HOFSTADBLOEM”

– de bloemententoonstelling
– de beeldententoonstelling:

* de Commissie voor de Beeldhouwkunst
* de aanloop naar de inzending van beelden
– de aandacht in de pers
30 MAART 1939: OPENING TWEEDE EDITIE BLOEMENTENTOONSTELLING “DE HOFSTADBLOEM”
OPENINGSTIJDEN, ENTREEPRIJZEN, FACILITEITEN
DEELNEMENDE BEELDHOUWERS
TENTOONGESTELDE BEELDEN
:

– inventarisatie
– huidige exemplaren

BEZOEKERSAANTALLEN
ONTHAAL IN DE PERS
DE PRIJSVRAAG

“DE HOFSTADBLOEM” EN DE SITUATIE IN EUROPA IN 1939
1941: DE TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN” (DEN HAAG, ZUIDERPARK)

DE HOUTRUSTHALLEN

De Houtrusthallen in Den Haag zijn gebouwd in de tweede helft van de 1930-er jaren. Wegens bouwvallige staat zijn ze in 2000 gesloopt.
In de loop der jaren hebben in de Houtrusthallen tal van evenementen plaatsgevonden waaronder sportwedstrijden (boksen, schaatsen, tennis, voetbal), politieke manifestaties zoals de jaarlijkse herdenking van de oprichting van de RMS (Republik Maluku Selatan) en in 1985 de slotmanifestatie van het volksprotest tegen de plaatsing in Nederland van kernwapens, Pasar Malams, de Huishoudbeurs, vakbeurzen en talloze popconcerten van bands uit binnen- en buitenland.(1)
De eerste tentoonstelling die in de Houtrusthallen werd gehouden, was de eerste editie van “De Hofstadbloem”, een tentoonstelling van voorjaarsbloemen, gekweekt door Nederlandse bloementelers. Deze tentoonstelling werd gehouden van 8 tot en met 18 april 1937 en vond plaats in de tentoonstellingshal.(2)

(1) https://nl.wikipedia.org/wiki/Houtrusthallen
(2) Nieuwe Leidsche Courant, 10 januari 1937

naar boven

1939: TWEEDE EDITIE BLOEMENTENTOONSTELLING “DE HOFSTADBLOEM”

de bloemententoonstelling
In de vergadering van 21 september 1938 van de Groep Bloemisterij uit de Nederlandse Tuinbouwraad werd meegedeeld dat van 30 maart tot en met 10 april 1939 in de Houtrusthallen de tweede editie van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” zou worden gehouden. Deze tentoonstelling was een alternatief voor de editie-1939 van de bloemententoonstelling “Prima Vera”, die was afgelast omdat de Nenijtohal in Rotterdam, waar de “Prima Vera” zou worden gehouden, voor dat doel was afgekeurd.(1)
De tweede editie van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” werd niet alleen in de tentoonstellingshal van de Houtrusthallen gehouden maar ook in de kunstijsbaanhal. De kunstijsbaan werd afgebroken, de hal werd ingericht als tentoonstellingsruimte. De bruto oppervlakte van de tentoonstelling was 9.000 m2; de netto oppervlakte was 4.000 m2. In het verbindingsgebouw tussen de hallen was een vijver met fonteinen aangelegd, met uitlopers naar de lange zijden van de hallen en aan één van de lange zijden een waterpartij.(2)
Het totaal aantal telers en collectieven van telers die bloemen, bloembollen, gewassen en planten hadden ingezonden, bedroeg 45. De inzendingen waren afkomstig uit onder andere Aalsmeer, Boskoop, Den Haag, Rijnsburg en Utrecht. Onder de inzendingen waren onder andere anjers, Japanse azalea’s, begonia’s, cyclamen, besdragende gewassen, hortensia’s, primula’s, rododendrons, seringen, snijbloemen, vaste planten en rotsplanten.(3) Het aantal bloemen dat tijdens de tentoonstelling te zien zou zijn, werd geschat op 250.000.(4)

(1) De Tijd, 22 september 1938, Nieuwe Apeldoornsche Courant, 27 september 1938
(2) Schiedamsche Courant, 25 maart 1939
(3) Schiedamsche Courant, 25 maart 1939
(4) Het Vaderland, 6 april 1939

naar boven

de beeldententoonstelling
Op 22 oktober 1938 werd bericht dat het gemeentebestuur van Den Haag de gemeenteraad had voorgesteld in te stemmen met een financiële bijdrage ter grootte van f 10.000,- aan een waarborgfonds ter grootte van f 20.000,- ten behoeve van de exploitatie van de bloemententoonstelling. Het gemeentebestuur maakte ook kenbaar dat de bloemententoonstelling vergezeld zou gaan van een tentoonstelling van beelden die in een park geplaatst zouden kunnen worden. Volgens de berichtgeving had het bestuur van Stichting De Hofstadbloem een commissie ingesteld onder voorzitterschap van dr. Hendrik Enno van Gelder, directeur van de Gemeentelijke Dienst Kunsten en Wetenschappen in Den Haag en het Haags Gemeentemuseum. Deze commissie had een prijsvraag uitgeschreven onder tien beeldhouwers in Den Haag en omgeving die lid waren van de Haagsche Kring. De gemeente Den Haag zou het bekroonde ontwerp aankopen en de duurzame uitvoering ervan in een van de Haagse parken plaatsen of in een nieuwe wijk in Den Haag.(1). De beelden zouden aan de bloemententoonstelling een sprookjesachtig karakter geven en doen denken aan tuinen zoals in Versailles, waarin ook beelden stonden. Naar de mening van het gemeentebestuur zou de beeldententoonstelling de belangstelling voor de bloemententoonstelling aanwakkeren en zou de prijsvraag ten goede komen aan de beeldhouwkunst, die met vele moeilijkheden te kampen had.(2) Het gemeentebestuur vroeg de gemeenteraad om een krediet van f 4.000,- voor de vervaardiging en de plaatsing van de duurzame uitvoering van de bekroonde inzending. Het gemeentebestuur vroeg tevens om een krediet van f 2.000,- om de beeldhouwers tegemoet te komen in de kosten die zij moesten maken om voor de tentoonstelling een grote uitvoering van hun inzending te laten vervaardigen.
In de raadsvergadering van 7 november 1938 werd het voorstel van het gemeentebestuur over de deelname aan het waarborgfonds en de kredieten voor de bekroonde inzending en de tegemoetkoming aan de beeldhouwers zonder hoofdelijke stemming aangenomen.(3)

(1) Haagsche Courant, 22 oktober 1938. Volgens latere artikelen zoals in De Tijd, 14 februari 1939, had het gemeentebestuur van Den Haag de prijsvraag uitgeschreven.
(2) Haagsche Courant, 22 oktober 1938. Op landelijk niveau was er vanaf de tweede helft van de 1930-er jaren steun voor beeldend kunstenaars in de vorm van het “Voorzieningsfonds voor kunstenaars”, opgericht in 1935 door het ministerie van Sociale Zaken. In 1938 werd dit fonds aangevuld met het “Fonds voor bijzondere doeleinden”, ter financiële ondersteuning van bijzondere uitgaven van beeldend kunstenaars (https://nl.wikipedia.org/wiki/Beeldende_Kunstenaars_Regeling).
(3) Gemeenteraad Den Haag, Handelingen van 7 november 1938, pagina 612

naar boven

– de Commissie voor de Beeldhouwkunst
De commissie die de Stichting De Hofstadbloem had ingesteld, was de Commissie voor de Beeldhouwkunst, één van de commissies in de organisatie van “De Hofstadbloem”. De voorzitter was dr. Van Gelder. De leden van de commissie waren G.Ph. Haverman (tuinarchitect, belast met de aanleg van de tentoonstelling (perken, waterpartijen enz.), G. Knuttel Wzn (conservator Haags gemeentemuseum), Gra Rueb en Dirk Wolbers (twee van de tien beeldhouwers die voor de tentoonstelling beelden zouden indienen).(1)
Bij het tot stand komen van de beeldententoonstelling in de tweede editie van “De Hofstadbloem” kwamen twee ideeën bij elkaar. Eén ervan was afkomstig van het bestuur van Stichting “De Hofstadbloem”, het andere was vermoedelijk afkomstig uit gemeentekringen.
Het bestuur van Stichting “De Hofstadbloem” had zijn bedenkingen tegen de opluistering van bloemententoonstellingen met hazenbeeldjes, hertenbeeldjes en kabouterbeeldjes, gespeend van artisticiteit. Voor de tweede editie van “De Hofstadbloem” wilde het bestuur een artistieke opluistering.(2)
In Den Haag bestond al geruime tijd het idee om voor Haagse beeldhouwers een prijsvraag uit te schrijven, waaruit opdrachten voort zouden kunnen vloeien. Tijdens een bloemententoonstelling in het Vondelpark in Amsterdam waren er een aantal beelden geplaatst. In Den Haag werd hierop voortgeborduurd. De bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” zou een goede aanleiding zijn om een prijsvraag uit te schrijven en de mogelijkheid bieden om de ingezonden beelden tentoon te stellen.(3)
In zijn hoedanigheid van voorzitter van de Commissie voor de Beeldhouwkunst slaagde dr. Van Gelder erin beeldhouwers en kwekers nader tot elkaar te brengen, waardoor de beelden tot ieders tevredenheid geplaatst konden worden.(4) De heer Haverman, leidend in de inrichting van de tentoonstelling, was ook leidend in het plaatsen van de beelden. Stichting “De Hofstadbloem” nam de kosten van het plaatsen van de beelden voor rekening.(5)

(1) Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 21). In het hoofdstuk “De afdeeling voor de beeldhouwkunst” heeft dr. Van Gelder beschreven dat het bestuur van “De Hofstadbloem” een commissie, waarvan de heer Havermans deel uitmaakte, had aangevuld met twee beeldhouwers, waarmee hij doelde op Gra Rueb en Dirk Wolbers, en twee kunstbelangstellenden, waarbij hij doelde op zichzelf en de heer Knuttel Wzn. De commissie had als taak: inzending van beeldhouwwerken (zie: Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 38).
(2) Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 38).
(3) De Avondpost, 4 april 1939; hoofdstuk “De beelden” in Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941). De tentoonstelling in het Vondelpark in Amsterdam is misschien de tentoonstelling “Kleurenpracht II” geweest, die van 18 juli tot 31 augustus 1936 in het Vondelpark in Amsterdam werd gehouden ter gelegenheid van de ingebruikname aldaar van het Rosarium. Op deze tentoonstelling waren beelden te zien, ontworpen door 18 beeldhouwers waaronder Frits van Hall, Nel Klaassen, Hildo Krop, Gerarda Rueter, Pieter Starreveld en Gerrit van der Veen (Het Vaderland, 16 juli 1936).
(4) Het Vaderland, 3 april 1939
(5) Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 38).

naar boven

– de aanloop naar de inzending van de beelden
In een terugblik op de voorbereidingen rond de tentoonstelling van de beelden tijdens de tweede editie van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” zei dr. Van Gelder dat het gemeentebestuur van Den Haag zich op voorstel van de Commissie voor de Beeldhouwkunst bereid had getoond om, als daar aanleiding voor zou zijn, een of meerdere ingezonden werken aan te kopen en te laten uitvoeren in een van de plantsoenen of parken in Den Haag. In dit verband zei hij ook dat het gemeentebestuur geld beschikbaar had gesteld voor de beeldhouwers die beelden zouden inzenden als tegemoetkoming in de kosten van het laten vervaardigen van grote uitvoeringen van hun inzendingen.(1)
Over het tot stand komen van de inzendingen heeft dr. Van Gelder geschreven dat het merendeel van de Haagse beeldhouwers bereid was mee te doen en schetsontwerpen inzonden voor de diverse locaties in de Houtrusthallen die bestemd waren voor beelden. Op grond van deze schetsontwerpen nodigde de Commissie voor de Beeldhouwkunst beeldhouwers uit. Deze beeldhouwers hebben meer dan een half jaar de tijd gehad hun inzendingen tot stand te brengen.(2)
De tweede editie van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” werd op 30 maart 1939 officieel geopend. De mededeling van dr. Van Gelder over de tijd die de beeldhouwers tot hun beschikking hadden, betekent dat de Commissie voor de Beeldhouwkunst hen een of enkele maanden voor oktober 1939 had uitgenodigd.
Dr. Van Gelder heeft niet de volledige gang van zaken rond de uitnodiging uiteengezet. Uit artikelen in een aantal kranten blijkt dat aanvankelijk een groter aantal beeldhouwers was uitgenodigd ontwerpen in te dienen dan de tien die de Commissie voor de Beeldhouwkunst zou uitnodigen.(3) De opdracht luidde een beeld te ontwerpen dat in een park of tuin kon worden geplaatst. Voor de beoordeling van de ontwerpen werd een jury ingesteld, onder voorzitterschap van ir. Louis Feber, wethouder financiën en openbare werken in Den Haag. De leden van de jury waren: dr. Van Gelder, G. Knuttel Wzn, Simon Doorenbos (directeur Haagse gemeentelijke plantsoenendienst) en de beeldhouwers Bon Ingen-Housz en Oswald Wenckebach. De jury zou niet beoordelen of de beelden er op de tentoonstelling mooi bij zouden staan maar of zij wat betreft hun werkelijke kunstwaarde geschikt zouden zijn duurzaam te worden uitgevoerd.(4)
Na het uitnodigen van de beeldhouwers werd “van zekere zijde” bezwaar gemaakt tegen het bekronen van naakte beelden. De jury kwam aan het bezwaar tegemoet; de opdracht werd aangevuld met de beperking dat er geen beelden van naakten mochten worden ingediend. Hierop trokken sommige beeldhouwers zich terug terwijl anderen ondanks de beperking naakten indienden.(5)
Binnen de jury ontstond discussie over wat als naakt moest worden gezien in termen van aanstootgevend. Naar de mening van de jury konden beelden van dieren geen aanstoot geven omdat dieren in hun natuurlijke staat naakt zijn. Deze beelden werden toegelaten. Met beelden van mensen lag dat anders. Er werd een “leeftijdsgrens” getrokken die erop neerkwam dat beelden van kleine, naakte kinderen toegelaten konden worden en beelden van andere naakte mensfiguren niet. Dit heeft niet geleid tot consequent toelaten en afwijzen. Het beeld dat Dirk Bus had ontworpen van een zeemeermin op een dolfijn werd toegelaten, evenals het beeld dat Albert Termote had ontworpen van een naakte mansfiguur die een steen een zonnewijzer voorstellend, voor zich hield en het paardenbeeld dat hij had ontworpen, waarop een naakte man zat.(6)
Op 25 maart 1939 berichtten een aantal kranten over van welke beeldhouwers inzendingen tentoon zouden worden gesteld.(7)
In een interview, gepubliceerd in Het Vaderland, zei dr. Van Gelder over de beelden die tentoon waren gesteld dat tien Haagse beeldhouwers twintig kunstwerken hadden ingediend, waarvan er slechts één niet kon worden geplaatst.(8) In het artikel dat naar aanleiding van dit interview is geschreven, is niets vermeld over de beperking “geen naakt” en de gevolgen ervan voor het aantal deelnemende beeldhouwers en de inzendingen.
In De Telegraaf, 12 april 1939, is geschreven dat de commissie vanwege de grootte van de Houtrusthallen graag inzendingen zag van beelden van groot formaat. Het vervaardigen van dergelijke beelden bracht voor de beeldhouwers hoge kosten met zich mee, zodat vaak werd volstaan met het indienen van beelden van klein formaat.(9)
Samenvattend: vóór oktober 1938 werden Haagse beeldhouwers uitgenodigd schetsontwerpen in te zenden voor de tentoonstelling. Deze ontwerpen werden beoordeeld door een jury onder voorzitterschap van ir. Feber. Wegens na de uitnodiging gerezen bezwaren tegen de mogelijkheid dat beelden van naakten bekroond zouden worden, werd de opdracht een beeld te ontwerpen voor plaatsing in een park of tuin aangevuld met de beperking dat geen ontwerpen van naakten mochten worden ingediend. Hierop haakten een aantal beeldhouwers af, terwijl anderen ondanks de beperking toch ontwerpen van naakten indienden. Uiteindelijk zijn er tien beeldhouwers gekozen die hun ontwerpen verder konden uitwerken. Naar de mening van KIJKEN NAAR BEELDEN heeft de Commissie voor de Beeldhouwkunst geen aandeel gehad in deze beoordeling en ook niet kunnen hebben omdat Gra Rueb en Dirk Wolbers, die beelden zouden inzenden, lid waren van deze commissie. De Commissie voor de Beeldhouwkunst heeft zich onder andere bezig gehouden met aangelegenheden met betrekking tot de feitelijke plaatsing van de beelden.

(1) Het Vaderland, 3 april 1939. In de Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 38) staat dat de gemeente Den Haag bereid was een aanzienlijk bedrag beschikbaar te stellen voor het geval één der beeldhouwwerken in aanmerking zou kunnen komen voor plaatsing in een park in Den Haag.
(2) Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939 (Den Haag, 1939, pagina 38).
(3) De avondpost, 4 april 1939, De Telegraaf, 12 april 1939. In deze artikelen is niet vermeld hoeveel beeldhouwers waren uitgenodigd en wie dat waren.
(4) De avondpost, 4 april 1939
(5) De Telegraaf, 12 april 1939. In het artikel is niet duidelijk gemaakt wie of welke instantie bezwaar had tegen het bekronen van naakte beelden en met welke reden. In De Avondpost, 4 april 1939 is over de beperking dat geen naakte beelden mochten worden ingediend, geschreven dat aanvankelijk een groter aantal beeldhouwers en beeldhouwsters was uitgenodigd aan de prijsvraag deel te nemen maar dat enkelen afvielen nadat de beperking was gemaakt dat er geen naakten mochten worden ingediend.
Een verklaring voor het bezwaar tegen naakte beelden zou kunnen zijn dat de gemeente Den Haag in geval van bekroning van een naakt beeld eraan gehouden was dit beeld duurzaam te laten uitvoeren om het vervolgens aan te kopen en in de openbare ruimte te plaatsen (een park of een nieuw gebouwde wijk). Het naakte beeld zou aanstoot kunnen geven en tot weerstand kunnen leiden. In de 1930-er jaren stonden er in Nederland vrijwel geen beelden van naakten in de openbare ruimte. De op handen zijnde plaatsing bij de hoofdingang van het Zuiderpark van de naakte beeldengroep Vrouw en man (Corinne Franzén-Heslenfeld) viel bij sommigen in verkeerde aarde “omdat naakte beelden niet in de openbare ruimte thuishoren, zeker niet bij de ingang van het Zuiderpark waar veel jongeren langsgaan, onderweg naar hun sportgelegenheid”. (De Maasbode, 2 augustus 1939).
(6) De Telegraaf, 12 april 1939. In het bericht in De Telegraaf staan twee onjuistheden. In meerdere publicaties, onder andere Het landhuis, jrg. 34, nr. 4, 1939, is bericht dat het beeld van de mansfiguur met zonnewijzer een beeld is van een zittende vrouwenfiguur met zonnewijzer. Op het paard is een kindfiguur gezeten, geen mansfiguur.
(7) De Maasbode, 25 maart 1939, Haagsche Courant, 25 maart 1939, Algemeen Handelsblad, 25 maart 1939. In De avondpost, 6 april 1939 werd aandacht besteed aan een beeld van Han Richters dat op de tentoonstelling te zien was. Zijn naam was op 25 maart 1939 niet genoemd en komt ook niet voor in de Officiële catalogus tentoonstelling “De Hofstadbloem” 1939.
(8) Het Vaderland, 3 april 1939
(9) De Telegraaf, 12 april 1939 In Het Vaderland, 3 april 1939, was hierover opgemerkt dat men het jammer vond dat het aantal grotere beelden dat tentoon was gesteld, klein was.

naar boven

de publiciteit

De tweede editie van “De Hofstadbloem” ging vergezeld van een officiële catalogus waarin onder andere de samenstelling was beschreven van de organiserende commissies, de telers en collectieven van telers waren vermeld met hun inzendingen en de beeldhouwers en hun inzendingen.
Voor de tweede editie van “De Hofstadbloem” was een affiche ontworpen die door de stad heen werd opgehangen. Op de affiche waren twee goudsbloemen afgebeeld. De goudsbloem was het symbool van “De Hofstadbloem”.(1)
In de dagen voorafgaand aan de opening van de tweede editie van “De Hofstadbloem” verschenen in een aantal kranten smalle, paginabrede kop-advertenties met een oproep om de tentoonstelling te bezoeken.(2)
De tweede editie van “De Hofstadbloem” was vermeld in diverse tentoonstellingsagenda’s.(3)

Voorafgaand aan de tentoonstelling werd aangekondigd dat in de Houtrusthallen voor de duur van de tentoonstelling een hulp-postkantoor zou zijn ingericht, waar brieven en poststukken, in de brievenbus van het postkantoor gedeponeerd, voorzien zouden worden van een speciaal “Hofstadbloem”-stempel met het embleem van “De Hofstadbloem”.(4)

(1) Nieuwe Leidsche Courant, 10 februari 1937 (hierin ook een afbeelding van de affiche voor de editie-1937 van “De Hofstadbloem”)
(2) Onder andere Haagsche Courant, 29 maart 1939
(3) Gooi- en Eemlander, 14 maart 1939
(4) Haagsche Courant, 2 maart 1939, Algemeen Handelsblad, 29 maart 1939

naar boven

de aandacht in de pers
In een aantal kranten werd bericht dat het besluit was genomen om in 1939 een tweede editie van “De Hofstadbloem” te houden.(1)
Naarmate de voorbereiding vorderde, werden de berichten in de kranten gedetailleerder en besteedden landelijke dagbladen aandacht aan de tentoonstelling.(2) Niet alleen de opzet van de tentoonstelling kreeg aandacht, ook de jurering van de inzendingen van telers en collectieven van telers en de prijzen die zouden worden uitgereikt, waaronder medailles van de kant van het Koninklijk Huis. Ook werd aandacht besteed aan de speciale kaarten bij de Nederlandsche Spoorwegen en de Haagsche Tramweg-Maatschappij.(3)
Op 6 maart 1939 en de dagen daarna werd in diverse kranten bericht over de ingebruikname van de ijshal voor de tentoonstelling en de daaraan verbonden verwijdering van de kunstijsbaan.(4) In diverse kranten werd een foto gepubliceerd van het ruimen van het ijs.(5)
In een groot aantal vakbladen op het gebied van de tuinbouw werd aandacht besteed aan de tentoonstelling.
Gedurende de tentoonstelling werden dagelijks advertenties over de tentoonstelling gepubliceerd.

(1) Onder andere in De Tijd, 22 september 1938, Nieuwe Haarlemsche Courant, 22 september 1938, Rotterdamsch Nieuwsblad, 22 september 1938 en Het Vaderland, 23 september 1938
(2) Algemeen Handelsblad, 14 februari 1939, De Telegraaf, 14 februari 1939
(3) Onder andere in Algemeen Handelsblad, 2 maart 1939
(4) Onder andere in Haagsche Courant, 6 maart 1939
(5) Onder andere in De Maasbode, 15 maart 1939

naar boven

30 MAART 1939: OPENING TWEEDE EDITIE BLOEMENTENTOONSTELLING “DE HOFSTADBLOEM” (1)
Op 30 maart 1939, om 15.00 uur, werd in het restaurant van de Houtrusthallen de tweede editie van “De Hofstadbloem” geopend door mr. M.P.L. Steenberghe, minister van Economische Zaken. In veel kranten werd uitgebreid verslag gedaan van de opening. Minister Steenberghe was, gelet op de moeilijke omstandigheden waaronder de tuinbouw gebukt ging, onder de indruk van wat de organisatoren van de tentoonstelling en de telers hadden gedaan om de tentoonstelling op aantrekkelijke wijze in te richten. De minister was verheugd dat ter gelegenheid van de tentoonstelling het jaarlijkse internationale congres van Fleurop (bloemenverkoop) in Nederland plaatsvond. Hij was van mening dat de Nederlandse tuinbouw door dit alles goed onder de aandacht werd gebracht, in binnen- en buitenland. De minister sprak ook zijn waardering uit voor de beeldententoonstelling.
De opening werd bijgewoond door vooraanstaande personen uit binnen- en buitenland, waaronder de Duitse en de Italiaanse gezant, de Commissaris van de koningin in Zuid-Holland, de burgemeester van Den Haag, een aantal wethouders en een aantal raadsleden, de voorzitter van de Tweede Kamer en de voorzitter van de Algemene Rekenkamer.

(1) Zie onder andere Algemeen Handelsblad, 30 maart 1939, De avondpost, 30 maart 1939, De Standaard, 30 maart 1939

naar boven

OPENINGSTIJDEN, ENTREEPRIJZEN, FACILITEITEN
De tweede editie van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” was dagelijks geopend van 10.00 tot 23.00 uur; op Goede Vrijdag en de beide Paasdagen was de tentoonstelling geopend van 09.00 uur tot 23.00 uur. De toegangsprijs was op alle dagen f 0,60 per persoon.(1)
Leerlingen van het lager onderwijs en het uitgebreid lager onderwijs konden voor de prijs van f 0,10 de tentoonstelling tot 10.00 uur bezoeken.(2)
Op verzoek van het Haagse gemeentebestuur konden ondersteunde armlastigen, werklozen, hun echtgenoten, eventueel vergezeld van één kind van 14 jaar of jonger, de tentoonstelling op werkdagen tussen 09.00 en 10.00 uur bezoeken tegen de prijs van f 0,05 per persoon. Per persoon legde de gemeente Den Haag f 0,05 bij. Op de zondagen en Tweede Paasdag gold voor hen het normale tarief.(3)
Bezoekers van “De Hofstadbloem” konden bij de Haagsche Tramweg-Maatschappij een retourkaartje kopen dat direct toegang gaf tot de tentoonstelling. Wie per trein naar de tentoonstelling moest reizen, kon een speciaal dagretour kopen, dat toegang gaf tot de tram en de tentoonstelling.(4)
De Gebroeders van der Lely NV in Den Haag, die onder andere invalidenwagens produceerde, stelde een aantal invalidenwagens ter beschikking zodat gehandicapten de tentoonstelling konden bezichtigen. Hun begeleiders hadden gratis toegang.(5)

(1) De avondpost, 3 april 1939, Algemeen Handelsblad, 9 april 1939
(2) Nieuwe provinciale Groninger courant, 25 maart 1939
(3)
Het Vaderland, 1 april 1939
, Het volksdagblad, 3 april 1939, Jaarverslag der gemeente ‘s-Gravenhage, 1939
(4) De avondpost, 2 maart 1939
(5) De Maasbode, 29 maart 1939

naar boven

DEELNEMENDE BEELDHOUWERS
In het hoofdstuk “Afdeeling beeldhouwkunst” van de officiële catalogus van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” zijn de namen vermeld van tien beeldhouwers die beelden hadden ingezonden.(1) Met uitzondering van Albert Termote, die in Voorburg woonde, waren zij woonachtig in Den Haag. Het aantal mannen was 5, in leeftijd variërend van 31 tot 75 jaar, 4 van hen ouder dan 35. De jongste mannelijke beeldhouwer was Dirk Bus (31); de oudste mannelijke beeldhouwer was Johan Keller (75). Het aantal vrouwen was 5, in leeftijd variërend van 22 tot 63 jaar, 3 van hen ouder dan 35. De jongste vrouwelijke beeldhouwer was Maryvonne Rosse (22); de oudste vrouwelijke beeldhouwer was Henriëtte Vaillant (63).
De naam van Han Richters, van wie een beeld was te zien in de inzending van de firma H. de Lange uit Rotterdam, is in het hoofdstuk “Afdeeling beeldhouwkunst” niet vermeld. Het is KIJKEN NAAR BEELDEN niet duidelijk of hij met “Jongen met hond” heeft deelgenomen aan de prijsvraag. KIJKEN NAAR BEELDEN beschikt helaas niet over het juryrapport.

(1) Officiële catalogus van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem”1939 (Den Haag, 1939, pagina 42)

naar boven

TENTOONGESTELDE BEELDEN

inventarisatie
In het hoofdstuk “Afdeeling Beeldhouwkunst” van de officiële catalogus van de bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” zijn 18 beelden opgesomd. Met uitzondering van de beelden die Albert Termote had ontworpen, was bij alle beelden het materiaal vermeld waaruit ze waren vervaardigd. Op het tentoonstellingskantoor lag een prijslijst ter inzage.

Niet vermeld in de catalogus:

(1) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Vogeldrinkbak”
(2) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Vogeldrinkbak”
(3) Vermoedelijk is met “cement” “beton” bedoeld
(4) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Jeugd” (2 Kinderfiguurtjes in gips)
(5) Vermoedelijk is met “cement” “beton” bedoeld
(6) Vermoedelijk is met “cement” “beton” bedoeld
(7) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Gems” met als materiaal: gips. De vermelding “gips” is niet juist, het beeld was vervaardigd uit terracotta.
(8) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Monumentaal paard”
(9) In “Afdeeling beeldhouwwerken” vermeld onder de naam “Bloemenweelde”

naar boven

huidige exemplaren
In Nederland zijn er vandaag de dag zeven exemplaren te zien van de beelden die tijdens de tweede editie van “De Hofstadbloem” tentoon zijn gesteld, waarvan zes in Den Haag en één in Lisse. Van de zeven exemplaren zijn er twee origineel: “Kat” (Gra Rueb, Zuiderpark) en “Steenbok” (Gra Rueb, vijver Kunstmuseum). Vijf exemplaren verschillen qua uitvoering van de exemplaren die deel hebben uitgemaakt van de tentoonstelling. KIJKEN NAAR BEELDEN gaat ervan uit dat het exemplaar van “Paard met kind” (Albert Termote) een voorloper was van het beeld dat op 17 oktober 1938 in Den Haag was geplaatst bij de Vaillantbrug.

naar boven

BEZOEKERSAANTALLEN
De editie-1937 van “De Hofstadbloem” werd bezocht door ongeveer 59.000 mensen. De tweede editie van “De Hofstadbloem” werd bezocht door 105.755 mensen, onder wie 9.520 schoolkinderen en 7.134 werklozen. Het grootste deel, 13.451 mensen, bezocht de tentoonstelling op Tweede Paasdag, de sluitingsdag.(1)
Een aantal vervoersbedrijven had een- of tweedaagse reizen georganiseerd naar de tentoonstelling.(2)
Onder de bezoekers waren ook Z.K.H. prins Bernhard (3 april 1939) en H.M. koningin Wilhelmina (6 april 1939), die werden rondgeleid en zich uitgebreid over de tentoonstelling lieten informeren.(3)
“De Hofstadbloem” werd ook bezocht door buitenlandse gezelschappen, waaronder een gezelschap matrozen van een opleidingsschip van de Finse Marine dat in Rotterdam was afgemeerd.(4)

(1) De Avondpost, 15 april 1939
(2) Nieuwe Winterswijksche Courant, 5 april 1939, De Gooi- en Eemlander, 7 april 1939
(3) Provinciale Drentsche en Asser Courant, 4 april 1939, Algemeen Handelsblad, 6 april 1939
(4) Het Vaderland, 9 april 1939.

naar boven

ONTHAAL IN DE PERS
Over het algemeen kan worden gezegd dat de tweede editie van “De Hofstadbloem” in de pers goed onthaald werd. Men was enthousiast over de opzet van de tentoonstelling, de bloemenpracht en het idee om beelden tentoon te stellen.
De tweede editie van “De Hofstadbloem” deed bij sommigen de wens rijzen dat er een derde editie zou volgen.(1)

(1) Algemeen Handelsblad, 15 april 1939

naar boven

DE PRIJSVRAAG
De beelden die te zien waren tijdens de tweede editie van “De Hofstadbloem” waren ingezonden in het kader van een prijsvraag voor beeldhouwers om beelden te ontwerpen die geplaatst konden worden in een tuin of een park. Het winnende beeld zou door de gemeente Den Haag worden aangekocht, in duurzaam materiaal worden uitgevoerd en geplaatst worden in een park in Den Haag of een nieuw gebouwde wijk in Den Haag. Met deze prijsvraag zouden tuinarchitecten gestimuleerd kunnen worden om in hun ontwerpen beeldende kunst op te nemen. Als naar aanleiding van de tentoonstelling de belangstelling voor beeldhouwers en beeldende kunst zou toenemen, zou dit resulteren in opdrachten, waar het in de 1930-er jaren aan schortte.(1)
De jury zou de ingezonden beelden in het licht van plaatsing in een park of tuin beoordelen op wat in de kranten de werkelijke kunstwaarde werd genoemd. Of een beeld er in de tentoonstellingsruimte mooi uitzag, zou niet ter zake doen. Het idee was dat één beeld bekroond zou worden. Voor de duurzame uitvoering en plaatsing van dit beeld was f 4.000,- beschikbaar.(2)
Twee ingezonden beelden bleven buiten mededinging: “Zeemeermin” (Dirk Bus) en “Paard met kind” (Albert Termote). In de aanloop naar de tentoonstelling was de opdracht een beeld te ontwerpen voor plaatsing in een tuin of park, voorzien van de beperking dat beelden van naakten niet mochten worden ingediend. De jury die over de toelating van de inzendingen ging, liet naakte figuren van peuters wel toe maar beelden van oudere mensfiguren niet. Dat “Zeemeermin” werd toegelaten, kan hebben voortgevloeid uit het feit dat een zeemeermin een personage is dat in een sage voorkomt. Wat betreft de prijsvraag was de jury van mening dat “Zeemeermin” de kans van andere ingezonden beelden om bekroond te worden, nadelig zou beïnvloeden.(2) “Paard met kind”, ontworpen door Albert Termote, bleef eveneens buiten mededinging. Dit beeld kon niet in aanmerking komen voor een prijs omdat het op 18 oktober 1938 bij de nieuw gebouwde Vaillantbrug in Den Haag was geplaatst.(3)
Uit Het Vaderland, 3 april 1939, blijkt dat de jury over haar beoordeling van de inzendingen rapport moest uitbrengen aan het gemeentebestuur van Den Haag. Uit het bericht in Het Vaderland blijkt ook dat het rapport al was opgemaakt en onderweg was naar het gemeentebestuur.(4)
Op 6 april 1939 berichtte De avondpost dat twee ingezonden beelden met een prijs waren bekroond: “Kind met eend en vogeldrinkbak” (Fransje Carbasius, brons) en “Pad” (Gra Rueb, beton). Het gemeentebestuur van Den Haag had besloten deze twee beelden aan te kopen en in een daartoe aan te wijzen plantsoen te plaatsen.(5) “Kind met vogelbak” (Marian Gobius) zou op de derde plaats zijn geëindigd, de gemeente Den Haag zou ook dit beeld aan het einde van de tentoonstelling hebben aangekocht.(6)
De prijsvraag leidde tot de vaststelling dat beeldhouwkunst van betekenis is voor de tuinarchitectuur en vice versa. Tuinarchitecten zouden geïnspireerd kunnen raken om in hun tuinontwerpen beeldhouwwerken op te nemen; beeldhouwers zouden meer opdrachten kunnen krijgen.(7)
Op 28 december 1939 werd bekend dat het gemeentebestuur van Den Haag “Kind met vogelbak” (Marian Gobius) had aangekocht. Het beeldje zou geplaatst worden in het plantsoen van de Papaverhof in Den Haag, dat deel uitmaakte van de in de 1920-er jaren gebouwde wijk Daal en Berg. Volgens de gemeente Den Haag zou het beeldje daar vanwege de kleine afmeting en de fijne vormgeving goed tot zijn recht komen.(8)

(1) De avondpost, 4 april 1939
(2) Haagsche Courant, 22 oktober 1938
(2) De avondpost, 4 april 1939
(3) Het Vaderland, 3 april 1939, De Telegraaf, 18 oktober 1938
(4) Het Vaderland, 3 april 1939
(5) De avondpost, 6 april 1939. In mei 1940 werd “Pad” op de rand van de fontein van de vijver van het Haags Gemeentemuseum geplaatst (zie: Gra Rueb: “Pad” (Den Haag)). “Kind met eend en vogeldrinkbak” werd in mei 1940 in Den Haag in een gazon langs de Cornelis de Wittlaan geplaatst (zie: Fransje Carbasius: “Kind met eend en vogeldrinkbak” (Den Haag)).
(6) Het Vaderland, 16 juni 1940
(7) De Avondpost, 4 april 1939
(8) Haagsche Courant, 28 december 1939. Op 15 juni 1940 is in de Papaverhof een betonnen uitvoering onthuld (zie: Marian Gobius: “Kind met vogeldrinkbak” (Den Haag))

naar boven

“DE HOFSTADBLOEM” EN DE SITUATIE IN EUROPA IN 1939
De tentoonstelling “De Hofstadbloem” had als doelstellingen Nederland en haar telers nationaal en internationaal onder de aandacht te brengen en de beeldende kunst een impuls te geven in die zin dat Nederlandse tuinarchitecten gemotiveerd zouden raken om in hun ontwerpen van tuinen en parken beeldende kunst op te nemen, wat beeldhouwers ten goede zou komen.
Uit de berichtgeving in de kranten blijkt niet dat de politieke en militaire situatie in Europa in 1939 van invloed is geweest op de tentoonstelling. In West-Europa woedde nog geen militair conflict. De Duitse en de Italiaanse gezant woonden de opening van de tentoonstelling bij. Wel stond de berichtgeving bol van de ontwikkelingen die in Europa gaande waren.
Naarmate de tentoonstelling voortduurde, nam het aantal bezoekers toe. Over het verloop van het aantal bezoekers werd in een artikel in Het volksdagblad geschreven dat als op 7 april 1939 (Goede Vrijdag) de aandacht van de mensen niet zou zijn opgeëist door internationale ontwikkelingen, de stijgende lijn aan bezoekers zich had voortgezet tot aan het einde van de tentoonstelling.(1)

(1) Het Volksdagblad, 17 april 1939. Met de internationale verwikkelingen is waarschijnlijk de inval van Italië in Albanië bedoeld.

naar boven

1941: DE TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN” (DEN HAAG, ZUIDERPARK) (1)
Van 9 april tot en met 2 juni 1941 werd in het Zuiderpark in Den Haag de tentoonstelling “Bloemen en beelden” gehouden. Voortbordurend op de ervaring, opgedaan tijdens de tweede editie van “De Hofstadbloem” werd aan de bloemententoonstelling in het Zuiderpark een beeldententoonstelling toegevoegd. Dit gebeurde op initiatief van Simon Doorenbos, directeur Haagse gemeentelijke plantsoenendienst. Bij de tweede editie van “De Hofstadbloem” was hij een van de leden van de jury die de inzendingen in eerste instantie beoordeelde op ja/nee toelaten en in tweede instantie op prijswaardigheid.
Eén van de commissies in de organisatie van de tentoonstelling “Bloemen en beelden” was de Commissie voor de Beeldhouwkunst. De voorzitter van deze commissie was dr. Van Gelder; G. Knuttel Wzn was een van de leden. Bij de tweede editie van “De Hofstadbloem” hadden zij ook zitting in de Commissie voor de Beeldhouwkunst, dr. Van Gelder was voorzitter van die commissie. Dr. van Gelder en G. Knuttel Wzn hadden ook zitting in de jury die de inzendingen in eerste instantie beoordeelde op ja/nee toelaten en in tweede instantie op prijswaardigheid.
De beelden, 50 in getal, waren ingediend door 25 Haagse beeldhouwers. Negen van hen hadden deelgenomen aan de tweede editie van “De Hofstadbloem”: Dirk Bus, Fransje Carbasius, Marian Gobius, Johan Keller, Joop van Lunteren, Maryvonne Rosse, Gra Rueb, Albert Termote en Dirk Wolbers. De beeldhouwers hadden volledige vrijheid in onderwerpkeuze. De beelden hoefden niet te zijn ontworpen met het oog op plaatsing in een park of tuin en naaktheid was geen punt van discussie.
Van de beelden die waren ingezonden voor de tentoonstelling “Bloemen en beelden” waren er zes ook ingezonden voor de tweede editie van “De Hofstadbloem”: “Kind met tulp” (Fransje Carbasius), “Poes” (“Kat”, Gra Rueb), “Spuier” (Fransje Carbasius), “Twee jongetjes” (Marian Gobius), “Twee vrouwenfiguren” (Dirk Wolbers) en “Zeemeermin” (Dirk Bus).
De ingezonden beelden waren te koop.
Voor zover KIJKEN NAAR BEELDEN bekend was aan de beeldententoonstelling geen prijsvraag verbonden.

(1) Tentoonstelling “Bloemen en beelden” (Den Haag, Zuiderpark, 1941)

naar boven

  KUNSTENAARS
  Tentoonstelling “Bloemen en beelden” (Den Haag, Zuiderpark, 1941)