Tentoonstelling “Bloemen en beelden” (Den Haag, Zuiderpark, 1941)

Tentoonstelling “Bloemen en beelden”
Den Haag, Zuiderpark, 9 april – 2 juni 1941


film TENTOONSTELLING “Beelden en Bloemen” in het Zuiderpark Mei 1941 (G.H. Bodewes)
Haags Gemeentearchief, identificatienummer F 648-14
klik op de foto om de film af te spelen


INHOUDSOPGAVE

ZUIDERPARK, DEN HAAG
1941: TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN”
– de bloemententoonstelling
– de beeldententoonstelling
– het Gemeentelijk Openluchttheater
– de fotowedstrijd
– de publiciteit:

* affiche
* boekje Programma Bloemen en beelden
* gids 4 seizoenen in het Zuiderpark
– de aandacht in de pers
16 APRIL 1941: OPENING TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN”
OPENINGSTIJDEN, ENTREEPRIJZEN, FACILITEITEN
DEELNEMENDE BEELDHOUWERS
TENTOONGESTELDE BEELDEN
:

– inventarisatie
– namen van beelden en beeldhouwers niet bekend
– huidige exemplaren
BEZOEKERSAANTALLEN
ONTHAAL IN DE PERS
AANKOPEN EN OPDRACHTEN
EEN TENTOONSTELLING IN BEZETTINGSTIJD

ZUIDERPARK, DEN HAAG

Het Zuiderpark in Den Haag is een stadspark, ontworpen in 1908 en aangelegd in de 1920-er jaren. In 1936 is het Zuiderpark officieel geopend.
Het Zuiderpark heeft een oppervlakte van 1,08 km2. In het Zuiderpark is onder andere een bowlingbaan gevestigd, een eendenkooi, een openluchttheater, een overdekt zwembad, een restaurant en een sportcampus.
De hoofdingang van het Zuiderpark ligt aan het Veluweplein; verder zijn er ingangen aan de Loevesteinlaan, de Melis Stokestraat en de Vreeswijkstraat.
In 1930, tijdens de aanleg van het Zuiderpark, werd bij een speelterrein aan de Plasvijver het “Jan Ligthart monument ‘Ot en Sien'” (Frits van Hall, A.C. Briët) geplaatst. In de jaren tussen de opening van het Zuiderpark en de tentoonstelling “Bloemen en beelden” werden in het Zuiderpark nog enkele beelden geplaatst, waaronder in 1939 Kat (Gra Rueb) en in 1940 “Dolfijn” (Jan Altorf).

naar boven

1941: TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN”

de bloemententoonstelling (1)
In 1940 ontstond in Nederland een overschot aan bloembollen. Dit werd veroorzaakt door een terugval in de export als gevolg van de Tweede Wereldoorlog. In het najaar van 1940 schonk het Centraal Bloembollencomité, gevestigd in Haarlem, 500.000 bloembollen (hyacinten, narcissen en diverse soorten tulpen) aan de gemeente Den Haag. De Nederlandse Sierteeltcentrale, gevestigd in Den Haag, schonk 160.000 anemonen en ranonkels. In de raadsvergadering van 14 oktober 1940 van de gemeente Den Haag werden de schenkingen in dankbaarheid aanvaard. De directie van de Haagse Gemeentelijke Plantsoenendienst besloot de bollen in het Zuiderpark te planten in het kader van een bloemententoonstelling ter gelegenheid van het 5-jarig bestaan in 1941 van het park. De hieraan verbonden werkzaamheden zouden de werkgelegenheid ten goede komen en de tentoonstelling zou, gelet op de oorlogs- en bezettingsomstandigheden, een afleiding bieden. De kosten van het planten van de bollen en het aanleggen van paden in het Zuiderpark werden begroot op ruim f 6.000,-.
De bloemententoonstelling zou worden gehouden in april en mei 1941. In die maanden zou de bloei van de bloembollen samenvallen met de bloei van bomen en sierheesters (forsythia’s, magnolia’s, Japanse kers). Door het verschil in bloeiperioden zou het park de bezoekers telkens een andere aanblik bieden.
Het gemeentebestuur van Den Haag richtte een voorbereidingscommissie op. Hierin hadden vertegenwoordigers van het Centraal Bloembollencomité en de VVV Den Haag zitting en directeuren van een aantal gemeentelijke diensten, waaronder de Gemeentelijke Plantsoenendienst. De voorzitter was ir. Feber, wethouder financiën en openbare werken in Den Haag, die in 1939 voorzitter was van de jury die de beelden beoordeelde die waren ingezonden voor de tentoonstelling “De Hofstadbloem”.(2)
Het inrichten van delen van het Zuiderpark voor de bloemententoonstelling en het planten van de bloembollen gebeurde onder leiding van Simon Doorenbos, directeur van de Haagse Gemeentelijke Plantsoenendienst.(3)

(1) Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941), Haagsche Courant, 22 februari 1941, Het Vaderland, 11 april 1941; De Haagse Tijden, 22 maart 2022.
(2) Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)
(3) Delftsche Courant, 10 april 1941

naar boven

de beeldententoonstelling (1)
Op initiatief van Simon Doorenbos, die lid was geweest van de jury die in 1939 inzendingen van beelden voor de tentoonstelling “De Hofstadbloem” had beoordeeld, werd besloten de bloemententoonstelling aan te vullen met een tentoonstelling van een groot aantal beelden, net als het geval was geweest bij de editie-1939 van “De Hofstadbloem” in de Houtrusthallen in Den Haag.(2) Het zou voor het eerst zijn dat in Nederland een grote hoeveelheid beelden te zien zou zijn tijdens een openluchttentoonstelling. Door de tentoonstelling zou de belangstelling voor en waardering van de beeldhouwkunst nieuw leven ingeblazen kunnen worden. De deelnemende beeldhouwers zouden hun beelden aan het grote publiek kunnen tonen temidden van een zee aan bloemen, aan of in de vijver of op de heuvel (de Villierskop). Jongere beeldhouwers die hun reputatie nog moesten vestigen, zouden de mogelijkheid hebben hun werk onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Voor een aantal van hen zou het exposeren op de tentoonstelling hun debuut zijn. Bezoekers van de tentoonstelling zouden inspiratie kunnen opdoen voor het plaatsen van een beeldhouwwerk in hun tuin of in de openbare ruimte.
Na contact met de afdeling Kunsten en Wetenschappen werd in overleg met de Haagse leden van de Kring van Beeldhouwers de Commissie voor de Beeldhouwwerken opgericht, onder voorzitterschap van dr. Van Gelder, inmiddels gepensioneerd, die hiermee dezelfde functie bekleedde als ten tijde van de editie-1939 van “De Hofstadbloem”, waarin hij naast voorzitter van de Commissie voor de Beeldhouwwerken ook lid was van de jury die de ingezonden beelden beoordeelde. Zijn opvolger, dr. Knuttel Wzn, in 1939 ook lid van de Commissie voor de Beeldhouwwerken en de jury, had zitting in de commissie.(3)
De commissie riep beeldhouwers in Den Haag en omgeving op om beelden in te zenden. De beeldhouwers hadden volledige vrijheid in de keuze van het onderwerp, in tegenstelling tot de beeldententoonstelling in de editie-1939 van “De Hofstadbloem”, waarbij de beelden geplaatst moesten kunnen worden in een tuin of park en waarbij als beperking had gegolden dat er geen naakte beelden mochten worden ingezonden.(4) Volgens Programma Bloemen en beelden gaven 26 beeldhouwers gehoor aan de oproep. Zij zonden 50 beelden in, waarvan een groot aantal nog in het groot moest worden uitgevoerd.(5)
De commissie zag af van het vooraf beoordelen van de inzendingen. De beplantingswerkzaamheden hadden het noodzakelijk gemaakt om al kort na de zomer plekken te reserveren voor de beelden, waarbij rekening werd gehouden met de omvang van de beelden. Tussentijds vervangen van een beeld was niet mogelijk. Bovendien wilde de commissie alle beeldhouwers de gelegenheid bieden hun werk tentoon te stellen en was er vrijheid in onderwerpkeuze en ontwerp. De commissie nam voor lief dat er hierdoor beelden tentoon zouden kunnen worden gesteld die artistiek gezien van mindere kwaliteit waren. In dit opzicht vertrouwde zij op de ernst en toewijding van de beeldhouwers.
Het gemeentebestuur van Den Haag verklaarde zich bereid de kosten van het maken van voetstukken en het transport van de beelden voor rekening te nemen. In het jaarverslag van de gemeente Den Haag over 1941 was vermeld dat de kosten voor het vervaardigen van de voetstukken f 1508,98 waren.(6)

(1) Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941), Haagsche Courant, 22 februari 1941, Het Vaderland, 11 april 1941.
(2) Haagsche Courant, 15 oktober 1940, Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)
(3) Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)
(4) Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)
(5) Deze aantallen zijn gemeld in het hoofdstuk “De beelden” in Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941). Ook in het merendeel van de artikelen in kranten en tijdschriften over de tentoonstelling “Bloemen en beelden” zijn deze aantallen vermeld. In de tentoonstellingscatalogus die deel uitmaakt van Programma Bloemen en beelden zijn de namen vermeld van 25 beeldhouwers en 50 beelden.
De beelden Vrouw en Man (Corinne Franzén-Heslenfeld) die in de loop van 1941 op de pylonen aan weerszijden van de hoofdingang van het Zuiderpark werden geplaatst, maakten geen deel uit van de inzendingen voor de tentoonstelling. In 1937 had de gemeente Den Haag Corinne Franzén-Heslenfeld opgedragen beelden te ontwerpen voor op de pylonen. Op 5 mei 1941 (de tentoonstelling “Bloemen en beelden” was gaande) werd het beeld “Man” op de linker pyloon geplaatst. Op 31 oktober 1941 (de tentoonstelling “Bloemen en beelden” was op 2 juni 1941 afgelopen) werd het beeld “Vrouw” op de rechter pyloon geplaatst.
(6) https://periodieken.haagsgemeentearchief.nl

naar boven

het Gemeentelijk Openluchttheater
In 1940 was in het Zuiderpark de aanleg van het Gemeentelijk Openluchttheater gereed gekomen. De planning was om dit theater in augustus 1940 te openen. Door weersomstandigheden en de oorlogsomstandigheden werd het Openluchttheater niet geopend. De tentoonstelling “Bloemen en beelden” bood de gelegenheid het Openluchttheater alsnog te openen en in gebruik te nemen. De planning voor opening en ingebruikname was begin mei 1941. Bij de ingebruikname zouden muziek-, zang- en turnuitvoeringen plaatsvinden.(1)

(1) Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941), Het Vaderland, 18 mei 1941. Op 17 mei 1941 werd het Gemeentelijk Openluchttheater op sobere wijze in gebruik genomen, dat wil zeggen zonder toespraken of ceremonieel (Het Vaderland, 18 mei 1941).

naar boven

de fotowedstrijd
De Haagse VVV schreef in het kader van de tentoonstelling “Bloemen en beelden” een fotowedstrijd voor (amateur)fotografen uit. De opdracht luidde: maak foto’s van het Zuiderpark. De beste foto’s werden met prijzen bekroond. In de zomer van 1941 werden de foto’s tentoongesteld.(1)

(1) Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941). Het aantal deelnemende (amateur)fotografen bedroeg 96; zij hadden in totaal 341 foto’s ingezonden, die in drie categorieën werden ingedeeld (“beginners”, “gevorderden, kunst- en vakfotografen” en “kleurenopnamen”). Op 20 juli 1941 werden de prijzen uitgereikt. De fototentoonstelling, genaamd “Bloemen en beelden Zuiderpark”, werd van 2 tot 10 augustus 1941 gehouden in de vergaderzaal van de Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer (Algemeen Handelsblad, 20 juli 1941, Het Vaderland, 2 augustus 1941).

naar boven

de publiciteit
De gemeente Den Haag liet met betrekking tot de tentoonstelling “Bloemen en beelden” jonge Haagse kunstenaars een affiche ontwerpen en een programmaboekje samenstellen, waarin een catalogus was opgenomen van de tentoongestelde beelden. Verder had de gemeente Den Haag een gids uitgebracht met uitvoerige informatie over het Zuiderpark.

affiche

In opdracht van de gemeente Den Haag ontwierp Jan Roëde (veelzijdig beeldend kunstenaar, oa beeldhouwer, graficus, schilder, tekenaar) een veelkleurige affiche, waarin hij alle facetten van het Zuiderpark (groei en bloei, kunst, recreatie) tot uiting bracht. De affiche toont een klassiek beeldje van een naakt jongetje dat de hoorn des overvloeds draagt, symbool voor de overvloed aan pracht die het park in het voorjaar te bieden heeft. Op de hoorn zit een zingend vogeltje in voorjaarsdos. Het beeldje staat in een laaiende gloed van tulpen. Op de achtergrond is een zitbankje getekend.

.

naar boven

– boekje Programma bloemen en beelden

In april 1941 verscheen het boekje Programma Bloemen en beelden. Het was ontworpen door Giele) Roelofs, illustrator, reclameontwerper en typograaf.
Programma Bloemen en beelden telt zestien pagina’s, die ongenummerd zijn. Op de kaft is een tekening geplaatst van het beeldje dat op de affiche staat, omringd met voorjaarsbloemen. Op de laatste twee pagina’s en op de binnenzijde van de achterkant van de kaft staan advertenties van het Gemeentemuseum, de Stadsschouwburg en gemeentelijke badinrichtingen.
Programma Bloemen en beelden is ingedeeld in een VOORWOORD, geschreven door ir. Feber in zijn hoedanigheid van wethouder, en vijf hoofdstukken: OVERZICHT (de opzet van de tentoonstelling, de fotowedstrijd en de ingebruikname van het Openluchttheater), BLOEMEN (een gedetailleerde beschrijving van de bloemencollectie), DE BEELDEN (informatie over onder andere de aanleiding om een beeldententoonstelling toe te voegen aan de bloemententoonstelling, het aantal deelnemende beeldhouwers en de wisselwerking tussen de bloemen en de beelden die geplaatst waren temidden van de bloemen), OPENLUCHTTHEATER (de ontstaansgeschiedenis en de functie van het Openluchttheater) en GROEN IN EN OM DEN HAAG (beschrijving van wat het Zuiderpark en de stad Den Haag jaar in jaar uit te bieden hebben aan natuurschoon en recreatiemogelijkheden). Op de middenpagina’s staat een plattegrond van het Zuiderpark met een opsomming van de bloembollen, anemonen en ranonkels, de plekken waar ze waren geplant en de bus- en tramlijnen die het Zuiderpark aandoen. Na deze plattegrond kwam de CATALOGUS BEELDHOUWWERKEN met een opsomming van de deelnemende beeldhouwers, de ingezonden beelden en hun plek in het Zuiderpark. Op enkele uitzonderingen na zijn bij de beelden verkoopprijzen vermeld. Op de plattegrond zijn de plekken waar de beelden waren geplaatst, niet ingetekend.
Programma Bloemen en beelden is geïllustreerd met tekeningen van planten en groen. Rechts boven het voorwoord is een kleine schets afgebeeld van “Sien”, een van de beelden van het “Jan Ligthart monument ‘Ot en Sien'”. Het hoofdstuk DE BEELDEN is geïllustreerd met een kleine tekening van een klassiek beeld van een mensfiguur met een kruik, waaruit water stroomt.
In Programma Bloemen en beelden staan geen tekeningen of foto’s van tentoongestelde beelden.

naar boven

– gids 4 seizoenen in het Zuiderpark

4 seizoenen in het Zuiderpark is in april 1941 verschenen. De samensteller was Giele Roelofs.
4 seizoenen in het Zuiderpark telt 39 pagina’s, die ongenummerd zijn. Er staan geen advertenties in. De voorkant van de gids toont de vijvers van het Zuiderpark, omringd met voorjaarsbloemen, bomen en een speelgelegenheid. Op de achterkant staat een foto in de vorm van een wapenschild waarop in een weiland een ooievaar te zien is, het icoon van Den Haag.
4 seizoenen in het Zuiderpark is ingedeeld in zes hoofdstukken. De eerste vier hoofdstukken, rijk geïllustreerd met foto’s, beslaan de helft van de gids. In deze hoofdstukken wordt uitleg gegeven over de groei en bloei van de in het Zuiderpark aanwezige bloemen, bomen en planten in de lente, de zomer, de herfst en de winter. In de tweede helft van 4 seizoenen in het Zuiderpark wordt de lezer in het hoofdstuk KARAKTER EN INDEELING meegenomen op een wandeling door het Zuiderpark langs al het natuurschoon, de bloementuin, speciale plekken zoals de eendenkooi, het Rosarium en de vogeltuin, en de spel- en sportgelegenheden waaronder het openluchtzwembad. In het laatste hoofdstuk, GESCHIEDENIS EN AANLEG, is de ontstaansgeschiedenis van het Zuiderpark beschreven, de ideeën in 1908 van dr. Hendrik Petrus (Hein) Berlage (architect en stedenbouwkundige, Amsterdam, 21 februari 1856 – Den Haag, 12 augustus 1934) over het park en de fasen waarin het park en alle voorzieningen is aangelegd.
Op de middenpagina’s staat de plattegrond van het Zuiderpark die ook op de middenpagina’s van Programma Bloemen en beelden staat. In de legenda zijn de tuinen opgesomd en de herkomst van planten en bloemen wat betreft het werelddeel waaruit ze afkomstig zijn. Verder is er een opsomming van de bus- en tramlijnen die het Zuiderpark aandoen.
4 seizoenen in het Zuiderpark is geïllustreerd met onder andere foto’s van het Zuiderpark in de lente, de zomer, de herfst en de winter. Het merendeel van de foto’s is afkomstig van de Gemeentelijke Plantsoenendienst, de overige foto’s zijn afkomstig van de Dienst Stadsontwikkeling & Volkshuisvesting en enkele fotografen.
Onderaan de laatste pagina van 4 seizoenen in het Zuiderpark is vermeld dat de gids is uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling “Bloemen en beelden”. Over deze tentoonstelling is in 4 seizoenen in het Zuiderpark niets geschreven. 4 seizoenen in het Zuiderpark was een gids voor het park; een beschrijving van de tentoonstelling zou de gids achterhaald kunnen maken. Over de beeldende kunst in het Zuiderpark is vermeld dat bij de Plasvijver het “Jan Ligthart monument ‘Ot en Sien'” staat. Op de plattegrond is de plek ingetekend waar het monument staat en in de gids staan kleine foto’s van de beeldjes “Ot” en “Sien”. Verder is melding gemaakt van het feit dat er twee permanente kunstwerken zullen worden geplaatst: de beeldengroep “Vrouw en man” en de “Gedenkplaat mr. P. Droogleever Fortuijn”, beide ontworpen door Corinne Franzén-Heslenfeld.(1) De opdracht aan Corinne Franzén-Heslenfeld om deze kunstwerken te ontwerpen, is in 4 seizoenen in het Zuiderpark gememoreerd als de grootste opdracht die de gemeente Den Haag in die tijd aan een beeldhouwer heeft gegeven.
Het voorlaatste hoofdstuk van 4 seizoenen in het Zuiderpark eindigt met het antwoord van Corinne Franzén-Heslenfeld op de vraag wat de beeldengroep “Vrouw en Man” moest voorstellen: “Ik heb er geen bijzondere symboliek in willen leggen. Als ik er iets mee bedoelde, dan was het de uiting van zuivere, zegevierende levensvreugde”. De samensteller van 4 seizoenen in het Zuiderpark vond dit een symboliek die goed paste bij de ingang van het Zuiderpark.

(1) Kat (Gra Rueb, geplaatst in 1939) en “Dolfijn” (Jan Altorf, geplaatst in 1940) zijn in 4 seizoenen in het Zuiderpark niet vermeld.
Mr. Pieter Droogleever Fortuyn (tot 1912: Droogleever Fortuijn): advocaat, zakenman, bestuurder en politicus. Van 1919 tot 1925 was hij wethouder in Den Haag met in zijn portefeuille openbare werken en volkshuisvesting. In deze periode spande hij zich in voor de aanleg van het Zuiderparkstadion; hij was voorzitter van de commissie die de sportvelden zou beheren. Op 18 oktober 1925 werd het Zuiderparkstadion in gebruik genomen door voetbalvereniging ADO; Droogleever Fortuyn verrichtte de opening. De gedenkplaat voor mr. P. Droogleever Fortuijn is onthuld in mei 1942 en verwijst ook naar zijn werkzaamheden als burgemeester van Rotterdam (zie: Gedenkplaat mr. P. Droogleever Fortuijn (Corinne Franzén-Heslenfeld).

naar boven

de aandacht in de pers
In de landelijke en regionale pers was veel aandacht voor de voorbereiding van de tentoonstelling. Er werden artikelen gepubliceerd, regelmatig vergezeld van foto’s. Soms beperkte de berichtgeving zich tot het publiceren van een foto met bijschrift.
Niet alle redacties schreven zelf hun berichten. Met enige regelmaat was een en hetzelfde bericht in verschillende kranten gepubliceerd. In een aantal gevallen was er sprake van “kopbladen” (aparte edities van een krant voor een stad of regio). In andere gevallen hadden kranten die geen verband met elkaar hadden, het bericht aangekocht bij een persbureau. Teksten uit Programma Bloemen en beelden zijn in een aantal kranten geheel dan wel gedeeltelijk overgenomen, zonder bronvermelding.(1)
Een aantal foto’s werd in meerdere kranten gepubliceerd, zoals een foto waarop te zien was dat inzendingen van Albert Termote werden geassembleerd. De foto’s wekten de indruk alsof ze waren genomen voor de krant waarin ze werden gepubliceerd.(2) In het dagblad Vooruit werd in twee opeenvolgende edities een foto gepubliceerd van Dirk Bus, werkend aan de klei-uitvoering van een van zijn beelden, met het onderschrift dat hij bezig was de laatste oneffenheden weg te werken.(3)

(1) Zie bijvoorbeeld: Haagsche Courant, 10 april 1941.
(2) Deze foto is gepubliceerd in onder andere Haagsche Courant, 2 april 1941, Leidsch Dagblad, 2 april 1941, Delftsche Courant, 2 april 1941, De Nederlander, 3 april 1941 en De Banier, 4 april 1941.
(3) Vooruit, 12 april 1941 en 15 april 1941.

naar boven

16 APRIL 1941: OPENING TENTOONSTELLING “BLOEMEN EN BEELDEN”

Volgens planning zou de tentoonstelling “Bloemen en beelden” op 9 april 1941 worden geopend. Eind maart leek de groei van de bollen en sierheesters voorspoedig te verlopen, zodat niets bloei in de weg zou staan.(1) In de week erna, toen de laatste beelden werden geplaatst, was het koud en regenachtig weer en de bloei was gestagneerd. Om die reden werd besloten de opening uit te stellen.(2)
Op 16 april 1941 werd de tentoonstelling zonder ceremonieel vertoon geopend.(3) Het merendeel van de beelden was in de Bloementuin geplaatst, enkele beelden in de vijver bij het Villierskopje (in de tentoonstellingscatalogus aangeduid met de naam “De Villierskop”), in het Rosarium en aan de Hyacintenlaan. Een of twee dagen na de opening werden informatiebordjes bij de beelden geplaatst met de naam van de beeldhouwer en de naam van het beeld.(4)
In opdracht van het organiserend comité was een groot aantal beelden voorafgaand aan de tentoonstelling wit geschilderd om een zekere mate van eenheid te creëren en ze te laten contrasteren met het groen van het park.(5) Na het schilderen werd een vernislaag aangebracht om de beelden te beschermen tegen de weersinvloeden. In De Telegraaf, editie 6 april 1941, stond een foto waarop een schilder te zien was, vijf reeds behandelde beelden en “Het Boertje” (Ad Hesterman), dat nog onbehandeld was.(6)

(1) Het Nationale Dagblad, 28 maart 1941.
(2) De Residentiebode, 9 april 1941, Het Vaderland, 16 april 1941, https://weerverleden.nl/194104.
(3) De Telegraaf, 16 april 1941.
(4) Het Vaderland, 16 april 1941 en 18 april 1941. In de editie van 18 april 1941 was bericht dat op de bordjes ook het materiaal was vermeld waaruit de beelden waren gemaakt. Op foto’s in het Haags Gemeentearchief van tentoongestelde beelden zijn op de bordjes alleen de namen van de beeldhouwers en de beelden te zien.
(5) De Standaard, 26 april 1941.
(6) De Telegraaf, 6 april 1941.

naar boven

OPENINGSTIJDEN, ENTREEPRIJZEN, FACILITEITEN
Het Zuiderpark, en daarmee de Bloementuin en het Villierskopje waar de beelden tentoon waren gesteld, was dagelijks open van 09.00 tot 21.00 uur. Het Zuiderpark als zodanig was gratis toegankelijk. De Bloementuin en het Villierskopje konden afzonderlijk worden bezocht. Voor elk van deze plekken werd een entreeprijs van f 0,05 geheven; een bezoek aan beide plekken kostte f 0,10. Verder waren er gezinskaarten verkrijgbaar (prijs: f 0,25, geldig voor één dag) en een doorlopende toegangskaart (f 0,50) die ook geldig zou zijn voor de navolgende dahliatentoonstelling.(1)
In mei 1941 besloot het organisatiecomité een diligence (paardenbus) in te zetten voor ouderen die niet goed in staat waren een lange wandeling door het Zuiderpark te maken. Zo konden zij zonder inspanning de bloeiende bloemen en de tentoongestelde beelden bewonderen.(2)

(1) Het Vaderland, 10 april 1941; De Kampioen, 12 april 1941, p.94.
(2) Heldersche Courant, 2 mei 1941, In de film “Tentoonstelling Bloemen en beelden in het Zuiderpark” is de diligence te zien van 00:01:17 tot 00:01:22.

naar boven

DEELNEMENDE BEELDHOUWERS
De 25 beeldhouwers die beelden hadden ingezonden voor de tentoonstelling “Bloemen en beelden” waren volgens de meeste geraadpleegde bronnen afkomstig uit Den Haag. Het aantal mannen was 17, in leeftijd variërend van 24 tot 77 jaar, 10 van hen ouder dan 35 jaar. De jongste mannelijke beeldhouwer was Peter de Jong (20). De oudste mannelijke beeldhouwer was Johan Keller (77). Het aantal vrouwen was 8, in leeftijd variërend van 23 tot 55 jaar, 4 van hen ouder dan 35 jaar. De jongste vrouwelijke beeldhouwer was Lidi van Mourik-Broekman (23). De oudste vrouwelijke beeldhouwers waren Fransje Carbasius en Gra Rueb, beiden 55 jaar.
Van de beeldhouwers die beelden hadden ingezonden voor de tentoonstelling “Bloemen en beelden” hadden Dirk Bus, Fransje Carbasius, Marian Gobius, Johan Keller, Joop van Lunteren, Maryvonne Rosse, Gra Rueb, Albert Termote en Dirk Wolbers een of meer beelden ingezonden voor de editie-1939 van “De Hofstadbloem.(1) Een aantal van de beelden die zij voor de editie-1939 van “De Hofstadbloem” hadden ingezonden, waren ook te zien tijdens de tentoonstelling “Bloemen en beelden”: “Zeemeermin” (Dirk Bus), “Twee jongetjes” (Marian Gobius), “Kat” en “Steenbok” (Gra Rueb, “Steenbok” in bronzen uitvoering), “Kind met tulp” en “Spuier” (Fransje Carbasius) en “Twee vrouwenfiguren” (Dirk Wolbers).

(1) De Maasbode, 25 maart 1939. Een eventueel bekroonde inzending zou in blijvend materiaal worden uitgevoerd; de gemeente Den Haag zou het aankopen en in een van de stadsparken plaatsen (De Tijd, 14 februari 1939).

naar boven

TENTOONGESTELDE BEELDEN

inventarisatie
In de “Catalogus beeldhouwwerken” in Programma Bloemen en beelden zijn 50 inzendingen opgesomd, afkomstig van 25 beeldhouwers.(1)
In de “Catalogus beeldhouwwerken” is bij een aantal beelden (niet bij alle) het materiaal vermeld waaruit ze waren gemaakt en/of de catalogusprijs.
Bij het natrekken welke beelden tentoongesteld waren, zijn krantenartikelen geraadpleegd en foto’s in het Haags Gemeentearchief. In lang niet alle bijschriften bij de foto’s in het Haags Gemeentearchief van tentoongestelde beelden zijn de namen van de gefotografeerde beelden vermeld. Ook bij foto’s in kranten was dat niet altijd het geval.

(1) In het hoofdstuk “De beelden” in Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941) en in vrijwel alle geraadpleegde kranten is vermeld dat 26 beeldhouwers in totaal 50 beelden hadden ingezonden, ook toen de tentoonstelling gaande was.
Een week voor de geplande opening werd in Ons Nederland, het officiële orgaan van de Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer, bericht dat er 60 beelden te zien zouden zijn van Haagse kunstenaars (Ons Nederland, 1 april 1941, p.104). Tijdens de tentoonstelling berichtte de krant dat er een kleine 50 beelden te zien waren (Ons Nederland, 1 mei 1941, p.117).
Vier dagen voor de feitelijke opening werd in Vooruit bericht dat het beeldenbestand inmiddels aanzienlijk was veranderd en dat er beelden bij waren gekomen (Vooruit, 12 april 1941).
Volgens de aankondiging van de tentoonstelling in “De Kampioen”, het ledenblad van de ANWB (Algemene Nederlandsche Wielrijdersbond), waren er 90 beelden tentoongesteld (De Kampioen, 12 april 1941, p.94).
(2) In de film Tentoonstelling Beelden en Bloemen in het Zuiderpark is “Spuier”, wit beschilderd en gevernist, te zien van 0:00:10 tot 0:00:14.
(3) In Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941) is de voornaam vermeld als Emile.
(4) In De Delver, 1940-1941, nr. 9, zijn foto’s afgedrukt van een van de tentoongestelde uitvoeringen van “Tuinsproeier”.
(5) In de film Tentoonstelling Beelden en bloemen in het Zuiderpark is van 0:00:39 tot 0:00:41, van 0:01:13 tot 0:01:17 en van 0:03:23 tot 0:03:26 is “Vrouwenfiguur met hertje” te zien: een rechtopstaande plaat met daarop een vrouwenfiguur en achter de vrouwenfiguur een hert.
(6) In De Nederlander, 25 april 1941, is “Staand meisje” beschreven als een soepele meisjesfiguur, weergegeven vanaf de knieën.
(7) In Vooruit, 10 mei 1941, is “Vrouwenfiguur” beschreven als ietwat opgezwollen lijkend en groter dan “Staand meisje”.
(8) In De Delver, 1940-1941, nr 9, is een foto van “Kikker” afgebeeld.
(9) In Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941) is de achternaam vermeld als Meeuwsen.
(10) In Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941) stond bij de naam van het beeld een vraagteken; kennelijk was niet duidelijk welke naam het beeld droeg.
(11) In Programma Bloemen en beelden (Den Haag, 1941) is de achternaam vermeld als Röth, evenals in Vooruit, 10 mei 1941 en 13 mei 1941; in De Nederlander, 25 april 1941 is Bram Roth aangeduid als “Mej. Röth”.
(12) In Floralia, 1 januari 1959, gaat het artikel “Een landschappelijke tuin in het polderland” vergezeld van een foto waarop bij een vijver een bronzen exemplaar van “Faun” te zien is.

naar boven

namen van beelden en beeldhouwers niet bekend
Bij vier foto’s in het Haags Gemeentearchief van tentoongestelde beelden is het KIJKEN NAAR BEELDEN niet gelukt de namen van de beelden en de beeldhouwers te achterhalen.

naar boven

huidige exemplaren
In Nederland zijn vandaag de dag dertien exemplaren te zien van de beelden die tentoon waren gesteld tijdens de tentoonstelling “Bloemen en beelden”, waarvan tien in Den Haag, één in Leidschendam, één in Lisse en één in particulier bezit. Van deze exemplaren zijn er drie origineel: “Kat” (Gra Rueb), “Ontwaken” (Lex Meeussen) en “Steenbok” (Gra Rueb). “Kat” was reeds in 1939 in het Zuiderpark geplaatst en maakte onder de naam “Poes” deel uit van de tentoonstelling. De andere exemplaren verschillen qua uitvoering van de exemplaren die deel hebben uitgemaakt van de tentoonstelling.
In het Zuiderpark in Den Haag staan vier beelden die teruggevoerd kunnen worden op de tentoonstelling “Bloemen en beelden”: “De fluitspeler” (Lidi van Mourik Broekman), “Flora” (Marian Gobius), “Kat” (Gra Rueb) en “Vrouw” (Gra Rueb).
De tentoongestelde gipsen uitvoering van “De Gelaarsde Kat” (Johan Keller) zou worden teruggeplaatst in het Zuiderpark. Het beeld is niet meer in het Zuiderpark aanwezig. In het Rosarium in het Westbroekpark in Den Haag staat een bronzen exemplaar, waarvan het jaar van gieting niet bekend is. Volgens sommige bronnen heeft dit bronzen exemplaar in het Zuiderpark gestaan.(1)
In de tentoonstellingscatalogus is bij “Hert” (Kees de Kruijff) het materiaal waaruit het beeld is ontworpen, niet vermeld. Verder onderzoek moet uitwijzen of het in 1939 door Kees de Kruijff ontworpen bronzen hertenbeeld dat onder de naam “Edelhert” in het Oosterpark in Den Haag staat, in witte beschildering deel heeft uitgemaakt van de tentoonstelling “Bloemen en beelden”.
In het advertentieblad Floralia, 1 januari 1959, heeft A.C. Muller-Idzerda in het artikel “Een landschappelijke tuin in het polderland” de achtertuin besproken van een zekere mevrouw Moorrees, woonachtig in een grote boerderij aan de Veurseweg in Voorschoten. Het artikel gaat vergezeld van een foto waarop aan de rand van de vijver een bronzen exemplaar van “Faun” is te zien. Jane Wichers is genoemd als degene die het beeld heeft ontworpen.(2) Verder onderzoek moet uitwijzen waar dit exemplaar, dat niet meegenomen is in de telling, zich momenteel bevindt en of dit exemplaar het tentoongestelde exemplaar was.
Albert Termote had in 1937 de opdracht gekregen om “De barmhartige Samaritaan” te ontwerpen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 1938 van ziekenhuis St. Antoniushove in Voorburg. De bronzen uitvoering, in 1940 gereed gekomen, is tijdens de Tweede Wereldoorlog verborgen gehouden om op verborgen gehouden tot na de oorlog en is op 29 september 1945 onthuld. Bij de verhuizing van het ziekenhuis eind 1998 naar de nieuwbouw in Leidschendam verhuisde “De barmhartige Samaritaan” mee. Op de tentoonstelling “Bloemen en beelden” was een uitvoering in gips te zien.
Het tentoongestelde exemplaar van “Fonteintje” (Dirk Bus) zou bij het gemeentehuis in Den Haag worden geplaatst.(3) Het is niet meer aanwezig.
“Fonteinmotief (Spelende karpers)” was ontworpen in opdracht van Daniël George van Beuningen (Utrecht, 4 maart 1877 – Arlesheim, 29 mei 1955, filantroop, kolenhandelaar en kunstverzamelaar). In het zwembad van zijn vroegere buitenverblijf staat een bronzen uitvoering.(4) Het beeld is meerdere malen in brons gegoten. Het is niet bekend waar de andere exemplaren zijn.(5)

(1) https://vanderkrogt.net/standbeelden/object.php?record=ZH15rl
(2) Floralia, 1 januari 1959, p.198 (naam van Jane Wichers en p.200 (foto van “Faun”)
(3) In Het Binnenhof, 29 maart 1946, is het aangekochte beeld van Dirk Bus vermeld onder naam “Kind met dolfijn”
(4) Gra Rueb: “Spelende karpers”
(5) Mededeling H. Rueb

naar boven

BEZOEKERSAANTALLEN
De weersomstandigheden in april en mei 1941 (koude, regen) waren niet optimaal voor het bezoeken van een openluchttentoonstelling. Het aantal betalende bezoekers in de eerste dagen (16-20 april) bedroeg 8.600, waarvan 5.500 op zondag 20 april, toen het weer plotseling opklaarde.(1) De zaterdag was nog geen vrije dag.
In de loop van de weken steeg de belangstelling voor de tentoonstelling, wat zich uitte in een aanhoudende stroom aan bezoekers vanuit Den Haag en daarbuiten. In een aantal steden werden groepsreizen georganiseerd om de tentoonstelling te bezoeken. Een aantal lagere scholen organiseerden voor hun leerlingen excursies naar de tentoonstelling.
Op 2 juni 1941 (Tweede Pinksterdag) liep de tentoonstelling ten einde. Gerekend vanaf 16 april 1941, de feitelijke openingsdatum, had de tentoonstelling 48 dagen geduurd. Het totaal aantal bezoekers werd geschat op 200.000, waarvan 100.000 betalende bezoekers en ruim 20.000 leerlingen uit lagere scholen. Deze aantallen stemde de organisatie van de tentoonstelling tot grote tevredenheid, gelet op het feit dat de weersomstandigheden erg waren tegengevallen.(2)
De tweede editie van “De Hofstadbloem” liep van 30 maart tot en met 10 april 1939 (Tweede Paasdag), een duur van 12 dagen, waarin de tentoonstelling werd bezocht door 105.755 mensen, onder wie 9.520 schoolkinderen en 7.134 werklozen. Het grootste deel, 13.451 mensen, bezocht de tentoonstelling op Tweede Paasdag, de sluitingsdag. Het aantal van 105.755 bezoekers was bijna een verdubbeling ten opzichte van de eerste editie van “De Hofstadbloem”, die vier keer zo lang had geduurd.(3) In de artikelen over het aantal bezoekers van “Bloemen en beelden” is geen vergelijking gemaakt met het aantal bezoekers van de tweede editie van “De Hofstadbloem”.

(1) De residentiebode, 21 april 1941.
(2) Vooruit, 31 mei 1941, De Residentiebode, 28 juli 1941.
(3) De Avondpost, 15 april 1939; Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)

naar boven

ONTHAAL IN DE PERS
In de landelijke en regionale pers werd aan de opening, het verloop en het sluiten van de tentoonstelling veel aandacht besteed. Berichten in de landelijke kranten verschenen ook in de onderliggende kranten (de “kopbladen”), waardoor de reikwijdte werd vergroot. Ook in Deutsche Zeitung in den Niederlanden, editie 16 april 1941, werd aan de opening aandacht besteed.(1)
In de tweede week van de tentoonstelling werd de pers de mogelijkheid geboden de beelden te fotograferen.(2) Tot een omvangrijke serie foto’s in de kranten heeft dit niet geleid.
In de pers werd waardering uitgesproken voor het initiatief een groot aantal beelden in de open lucht tentoon te stellen. De bezoekersaantallen die van tijd tot tijd bekend werden gemaakt, werden enthousiast onthaald. De wisseling in bloei, waardoor het Zuiderpark steeds een andere aanblik kreeg, werd erg gewaardeerd. Bij het ten einde lopen van de tentoonstelling was de pers van mening dat de tentoonstelling een groot succes succes was.
Besprekingen over de tentoonstelling “Bloemen en beelden” zijn verschenen in onder andere De Telegraaf, De Standaard, Het Vaderland, Voorwaarts, de Heldersche Courant en de Schager Courant.
In De Telegraaf, editie 28 april 1941, sprak Cornelis Veth (cartoonist, illustrator, journalist en schrijver) zich positief uit over de opzet van de tentoonstelling en de plaatsing van de beelden. Wel vond het de witte kleur die de beelden hadden, té wit. Cornelis Veth gaf geen kunstzinnig over de beelden; hij attendeerde de lezers op beelden die hem/haar waren opgevallen. Naarmate de tijd voortschreed zouden de beelden nog beter tot hun recht komen dan ze al deden.(3)
In Het Vaderland, editie 26 april 1941, beschreef de kunstcriticus Jos de Gruyter wat de beelden volgens hem in artistiek opzicht te bieden hadden. Hij was getroffen door “Zeemeermin” (Dirk Bus), welk beeld hij qua evenwicht in compositie het meest geslaagde groepsbeeld vond. De beelden van Dirk Wolbers (“Vrouwenfiguurtje” en “Twee vrouwenfiguren”) vond hij niet zo overtuigend, evenmin als “De barmhartige Samaritaan” (Albert Termote) die hij qua vormgeving minder plastisch en gespierd vond dan de beelden die Albert Termote had ontworpen voor het Vaillantplein in Den Haag. Jos de Gruyter had waardering voor de vorderingen van A.C. Roth (“Pegasus”), de inzendingen van Gra Rueb, met name “Poes” en “Steenbok”, en de inzendingen van de debutanten Leen Blom (“Meisje met bloemen in het haar”), Lidi van Mourik-Broekman (“Fluitspeler”) en Teun Roosenburg (“Zittend naakt”).(4)
In De Standaard, editie 26 april 1941, was de recensent erg te spreken over hoe de beelden in het Zuiderpark waren opgesteld. De recensent was niet zo gelukkig met de vrije onderwerpkeuze die de beeldhouwers hadden; het grote publiek zou een groot aantal beelden niet op prijs stellen of verkeerd begrijpen. Uit pedagogische en andere overwegingen vond de recensent het raadzaam om bij een volgende gelegenheid de inzendingen door een jury te laten beoordelen.(5)
In Vooruit, 13 mei 1941, werden Dirk Bus en Albert Termote als beschouwd als toonaangevend en het werk van Marian Gobius en Lidi van Mourik Broekman als veelbelovend.(6)
In sommige gevallen was er sprake van heftige kritiek. In de Heldersche Courant en De Schager Courant, editie 22 april 1941, werd in een kort bericht uiteengezet dat de bezoekers van de tentoonstelling geen goed woord over hadden voor de beelden en daar in kranten ruchtbaarheid aan hadden gegeven: vijvers en gazons volgestopt met beelden, een Siegesallée van mismaakte, misvormde naakten, een meisje met een lavastroom in plaats van bloemen in het haar. Sommigen hadden liever kabouters of Roodkapje gezien.(7) In Het nationale dagblad, editie 26 april 1941, bestempelde de recensent, die de tentoonstelling erg waardeerde, de kunstwerken van Herman van Remmen als ontaard. De recensent was van mening dat het geen kunst was en bovendien beginnerswerk; een jury had dit kunnen tegenhouden.(8)
Gedurende de tentoonstelling maakte de Haagsche Courant haar lezers dagelijks in de agenda attent op de tentoonstelling. Met enige regelmaat verschenen korte berichtjes met oproepen om de wisselende bloei te bekijken en de vele beelden die temidden van de bloemen waren opgesteld.
Ook op andere manieren werd aandacht besteed aan de tentoonstelling. Stumpels’ Kantoorboekhandel bijvoorbeeld, gevestigd aan de Escamplaan 118 in Den Haag, verkocht mapjes met ansichtkaarten waarop foto’s van de tentoonstelling stonden, zowel wat betreft het park als de beelden. De foto’s waren geleverd door het atelier van J. v.d. Hoek in Den Haag.(9)

(1) Deutsche Zeitung in den Niederlanden, 16 april 1941.
(2) Vooruit, 25 april 1941.
(3) De Telegraaf, 28 april 1941.
(4) Het Vaderland, 26 april 1941.
(5) De Standaard, 26 april 1941.
(6) Vooruit, 13 mei 1941 (deels overgenomen in Het Volk, 15 mei 1941)
(7) Heldersche Courant, 22 april 1941; Schager Courant, 22 april 1941. De Siegesallée was een brede boulevard in Berlijn, eind 19e eeuw aangelegd in opdracht van keizer Wilhelm II. Langs elke kant van de boulevard stonden 48 standbeelden van koningen, prinsen, wetenschappers, architecten en generaals. Bij inwoners van Berlijn wekten de standbeelden de lachlust op. In 1939 werden de standbeelden op last van het naziregime verwijderd.
(8) Het nationale dagblad, 26 april 1941.
(9) Vooruit, 22 april 1941.

naar boven

AANKOPEN EN OPDRACHTEN
De tentoongestelde beelden bleven staan tot na de zomer van 1941, waarin in het Zuiderpark anemonen, ranonkels en rozen zouden bloeien en waarin ook een dahliatentoonstelling zou worden gehouden.(1)
De tentoongestelde beelden konden worden aangekocht. In de catalogus was bij nagenoeg alle beelden een prijs vermeld. Reeds bij de opening waren een aantal beelden aangekocht. Deze beelden zouden in het Zuiderpark blijven staan. Uit het krantenartikel waarin hierover werd bericht, bleek niet welke beelden dit waren.(2)
Op 25 april 1941 werd bekend dat het gemeentebestuur van Den Haag de baten uit de entreegelden beschikbaar zou stellen voor de aankoop van enkele beelden.(3)
Op 21 november 1941 werd bekend dat uit het batig saldo van de entreegelden de beelden “Fonteintje” (Dirk Bus), “De fluitspeler” (Lidi van Mourik Broekman), “De Gelaarsde Kat” (Johan Keller) en de stenen uitvoering van “Flora” (Marian Gobius) zouden worden aangekocht. “Fonteintje” zou worden geplaatst in de vijver van het gemeentehuis van Den Haag; de overige drie beelden in het Zuiderpark.(4)
Bewoners uit de Haagse wijk Wittebrug hadden een comité opgericht met als doel om van “Meisje met bloemen in het haar” (Leendert Blom), ook bekend onder de naam “Zomer”, een uitvoering in Franse kalksteen (Euville) te plaatsen bij de tramhalte Wittebrug te plaatsen op de groenstrook tussen de tramrails en de Badhuisweg. Deze plek was gekozen door Leendert Blom in overleg met de directeur van de Haagsche Plantsoenendienst. De verwachting was dat het beeld in het voorjaar van 1942 geplaatst zou kunnen worden en dan zou kunnen worden overgedragen aan het gemeentebestuur van Den Haag.(5)
Het gemeentebestuur van Den Haag was voornemens om een aantal beeldhouwers die op de tentoonstelling hadden geëxposeerd, opdrachten te geven.(6)
“Steenbok” (Gra Rueb) is na afloop van de tentoonstelling aangekocht door het Gemeenteziekenhuis in Den Haag en op 2 november 1945 onthuld in de tuin van het ziekenhuis.(7)

(1) Vooruit, 31 mei 1941, Algemeen Handelsblad, 1 juni 1941.
(2) Heldersche Courant, 17 april 1941.
(3) Het Volk, 25 april 1941.
(4) De Standaard, 21 november 1941. In Het Binnenhof, 29 maart 1946, is het aangekochte beeld van Dirk Bus vermeld onder naam “Kind met dolfijn”.
(5) De Standaard, 21 november 1941.
(6) De Standaard, 21 november 1941.
(7) https://grarueb.nl/06-dierplastieken/dpsteenbok.html; Gra Rueb: “Steenbok” (Den Haag)

naar boven

EEN TENTOONSTELLING IN BEZETTINGSTIJD
Op 15 mei 1940 had Nederland gecapituleerd en was de Duitse bezetting een feit. Tot aan 1942 was de politiek van de Duitse bezetter erop gericht Nederland geleidelijk rijp te maken voor het nationaalsocialisme om uiteindelijk over te gaan tot inlijving van Nederland in het Groot-Duitsland van Hitler.
De tentoonstelling “Bloemen en beelden” werd voorbereid in de periode augustus 1940 – april 1941 en gehouden van 9 april tot en met 2 juni 1941, met een uitloop naar het najaar van 1941, waarin een dahliatentoonstelling plaatsvond en de beelden bleven staan. Met de tentoonstelling wilde de gemeente Den Haag de bezoekers afleiding bieden in de bezettingstijd.(1)
Op 22 september 1933, een half jaar nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen, trad in Duitsland de Reichskulturkammer in werking. Kunstenaars in de breedste zin van het woord moesten Ariër zijn. Kunstenaars die geen lid waren van de Reichskulturkammer, mochten hun beroep niet uitoefenen. De kunst in Duitsland moest gaan bijdragen aan het Duitse volk en het Duitse ras.(2) Kunstuitingen die niet aan dit vereiste voldeden, werden aangemerkt als Entartete Kunst (ontaarde kunst) en niet zelden vernietigd (grootschalige boekverbrandingen). In Nederland hadden de Duitse bezetter en haar handlangers in 1940-1941 nog geen actieve bemoeienis met de beeldende kunst. De Commissie voor de Beeldhouwwerken, die de beeldententoonstelling voorbereidde, had de beeldhouwers volledige vrijheid in onderwerp en uitvoering gegeven. De bezettende macht sprak de commissie hier niet op aan. De beelden die tentoon waren gesteld, stonden niet in dienst van het nationaalsocialisme of het nationaalsocialistisch gedachtengoed. De bezettende macht sprak de beeldhouwers hier niet op aan. De Deutsche Zeitung in den Niederlanden, Het Vaderland en Het nationale dagblad, uitgegeven door de NSB, schonken zonder terughoudendheid of kritiek aandacht aan de beeldententoonstelling, evenals het Nederlandsch Dagblad – orgaan van Nationaal Front.
Kritiek op de beeldententoonstelling had in de meeste gevallen betrekking op de volgens recensenten matige kwaliteit en/of niet zo kuise aard van een aantal tentoongestelde beelden. Deze kritiek lijkt te zijn ingegeven vanuit het oogpunt van artisticiteit en zedelijkheid, niet vanuit nationaalsocialistisch oogpunt. De heftige kritiek in De Heldersche Courant en de Schager Courant, de aanduiding “Siegesallée” in deze kranten en de kwalificatie in Het nationale dagblad van de inzendingen van Dirk Wolbers als “ontaarde kunst” doet de vraag rijzen of aan de kritiek in deze kranten nationaalsocialistisch gedachtengoed ten grondslag heeft gelegen.(3)
De tentoonstelling “Bloemen en beelden” bood vooruitzichten op de toekomst. Het Internationaal Rozenproefveld in het Zuiderpark, de eerste in zijn soort in Nederland, aangelegd in maart 1940, had als bedoeling gewonnen of nieuw ingevoerde rozen die in Nederland werden gekweekt, door een internationale jury te laten beoordelen.(4) Voorafgaand aan de tentoonstelling waren enkele ingezonden beelden aangekocht; na afloop werden minstens vijf beelden aangekocht en de gemeente Den Haag was voornemens beeldhouwers opdrachten te geven om hen meer perspectief te bieden in een tijd waarin de beeldende kunst met tal van moeilijkheden te kampen had.(5)
In het eerste half jaar van de bezetting hadden de Duitsers zich ten doel gesteld Nederland met zachte hand voor het nationaalsocialisme te winnen. De Februaristaking van 1941 had als gevolg dat het Duitse beleid ten opzichte van Nederland zich gaandeweg ging verharden, zowel wat betreft de Joden die in Nederland woonachtig waren als het openbare leven. Op 25 november 1941, enkele maanden na het einde van de tentoonstelling “Bloemen en beelden”, werd de Nederlandsche Kultuurkamer opgericht, die in alle opzichten het evenbeeld was van de Reichskulturkammer. Op 30 mei 1942 trad de Kultuurkamer in werking. Het streven was om creativiteit die vanuit nationaalsocialistisch oogpunt ongezond was, ontaard en onnatuurlijk, uit te bannen. De Nederlandse samenleving moest in cultureel opzicht worden gelijkgeschakeld met nazi-Duitsland. Wie werkzaam was in de kunst- en cultuursector, moest lid worden en kon aanspraak maken op financiële ondersteuning of een studiebeurs. Wie geen lid werd, mocht niet meer werkzaam zijn als schrijver of kunstenaar.(6) Met het in werking treden van de Nederlandsche Kultuurkamer werden de perspectieven die de tentoonstelling “Bloemen en beelden” aan beeldhouwkunst en beeldhouwers had geboden, tenietgedaan. Het merendeel van de beeldhouwers schreef zich niet in bij de Nederlandsche Kultuurkamer. Voor de duur van de oorlog werden zij werkloos, met alle ellende van dien. Na de oorlog duurde het nog enige tijd voordat het economisch tij voor de beeldhouwers ten goede was gekeerd. Belangrijk hierin was de oprichting van de BBK (Beroepsvereniging voor Beeldende Kunstenaars), die de economische omstandigheden waarin de beeldhouwkunst verkeerde onder de aandacht bracht van de landelijke politiek. In 1949 leidde dit tot de regeling-SBKK (Sociale Bijstand voor Beeldende Kunstenaars), ook bekend als Contraprestatie-regeling.(7) In 1951 trad de Percentageregeling voor beeldende kunst in werking. Via deze regeling, die vandaag de dag in gewijzigde vorm nog steeds bestaat, werd voor de decoratieve aankleding van belangrijke, representatieve gebouwen die door de rijksoverheid werden beheerd, 1,5 % van de nieuwbouwsom gereserveerd. Anders gezegd: in het kader van deze regeling konden beeldhouwers opdrachten krijgen om voor gebouwen, beheerd door de rijksoverheid, kunstwerken te ontwerpen.(8)

(1) De Haagse Tijden, 22 maart 2022.
(2) Zie onder andere https://www.yadvashem.org.
(3) Heldersche Courant, 22 april 1941; Schager Courant, 22 april 1941, Het nationale dagblad, 26 april 1941.
(4) De Telegraaf, 10 april 1941. In de tentoonstelling “Bloemen en beelden” was Meditatie (Gra Rueb, 1941) in het Internationaal Rozenproefveld geplaatst (Gra Rueb: “Meditatie” (Den Haag, tentoonstelling “Bloemen en beelden”, 1941)).
(5) Heldersche Courant, 17 april 1941; De Standaard, 21 november 1941. Op landelijk niveau was er vanaf de tweede helft van de 1930-er jaren steun voor beeldend kunstenaars in de vorm van het “Voorzieningsfonds voor kunstenaars”, opgericht in 1935 door het ministerie van Sociale Zaken. In 1938 werd dit fonds aangevuld met het “Fonds voor bijzondere doeleinden”, ter financiële ondersteuning van bijzondere uitgaven van beeldend kunstenaars. In 1949 werd een nieuwe regeling in het leven geroepen: de SBBK (regeling Sociale Bijstand voor Beeldende Kunstenaars), beter bekend als “Contraprestatie”. Globaal genomen hield deze regeling in dat kunstenaars die financieel bijstand kregen, als tegenprestatie een kunstwerk ontwierpen. In 1956 is de SBBK vervangen door de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling). (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Beeldende_Kunstenaars_Regeling).
(6) https://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlandsche_Kultuurkamer; https://www.tweedewereldoorlog.nl.
(7) https://nl.wikipedia.org/wiki/Beeldende_Kunstenaars_Regeling
(8) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31700-XI-67-b1.pdf. In dit document is ook de huidige regeling beschreven.

naar boven

  Zuiderpark (Den Haag)
  Bloemententoonstelling “De Hofstadbloem” (Den Haag, Houtrusthallen, 1939)